‘Eerst obote, nu de bom’ (De Groene Amsterdammer, 17 februari 1999)

Ooggetuige bij een bomaanslag in Kampala, Oeganda.

DOOR Peter Vermaas

KAMPALA – Drukte op de weg naar Kabalagala, het populaire uitgaanscentrum even ten zuidoosten van Kampala. Vier rijen dik, over de breedte van de hele straat, rijden taxi’s deze zondagavond stapvoets in file de heuvel op. Vertwijfeld vragen de chauffeurs zich af hoe ze ooit weer terug komen. Alle verkeer gaat omhoog: terug, in de richting van het stadscentrum, is er geen doorkomen meer aan. Op de terrasjes aan de straatkant zitten enkele geluksvogels die vroeger van huis vertrokken waren. De mooiste koppels hebben inmiddels de door de cafés beloofde rode rozen in hun knoopsgat gestoken. Valentijnsdag wordt in Kampala uitbundig gevierd.

Ook in de Telex Bar zit de sfeer er inmiddels goed in. Romantische westerse popmuziek schalt uit de luidsprekers, het Nile Beer kan haast niet aangesleept worden. Niet alleen Oegandezen weten de weg naar Kabalagala te vinden, vooral ook de vele buitenlanders in Kampala frequenteren de uitgaansgelegenheden in deze wijk met enige regelmaat. De luxe terreinwagens van ontwikkelingswerkers, diplomaten en zakenlui die overdag het straatbeeld van de stad bepalen, staan nu hier geparkeerd: voor de deur van de Telex Bar.

HET IS EVEN na half tien. Een scherpe, harde klap verstoort de Valentijnsvrede. Rauw schurend ijzer alsof een van de taxichauffeurs in de straat met een noodvaart tegen een betonnen muur aan rijdt. Niemand weet wat er gebeurt. De muziek speelt nog, maar alle leven ligt stil. Pas na enige tijd dringt het tot de gasten van de Telex Bar door: dit was weer een bom.

De vrolijke rode parasols van de Telex Bar liggen in stukken door de hele straat. Bierpullen en bierflesjes zijn naar het terras van de overburen, 25 meter verderop, gelanceerd. De plastic terrasstoelen waarop zo-even nog de verliefde paartjes met hun rode rozen in de weer waren, zijn in stukken gesneden en zwerven overal rond.

Na de korte stilte waarin niemand precies weet wat er aan de hand is, breekt de hel los: gillende mensen die dol geworden heen en weer rennen, gasten van andere cafés die komen aanstormen om te zien wat bij de Telex Bar gaande is. Zij die er genadig vanaf zijn gekomen, nemen de schade op: bloed, veel bloed zien ze. Afgerukte ledematen van de Valentijnspaartjes liggen over het terras verspreid. ‘Een slecht geregisseerde B-film’, spot een Amerikaan die de kapotgevallen flessen ketchup tussen de bloedende slachtoffers ziet liggen.

Het gesleep met lichamen begint. Tientallen ernstig gewonden worden door omstanders in de laadbak van pick-up-autootjes getild, de rode rozen in de hand of op de revers. Tegen de file van taxi’s in vertrekken de eerste auto’s richting Kampala.

NAUWELIJKS EEN kwartier later: weer een klap. Iets minder luid dan de vorige, maar even fataal. Terwijl juist enkele gewonden van de Telex Bar zijn afgevoerd, is nu de Family Shop and Snacks, twee panden verderop, aan de beurt. Weer hetzelfde beeld: de parasols, de stoelen, het glas, de slachtoffers. En de chaos. De angst zit er nu goed in. Bijna niemand durft nog in de buurt van de twee cafés te komen. Zouden er meer bommen volgen?

Politiemannen zijn snel ter plaatse. Ondanks hun indrukwekkende bewapening en hun ruige voorkomen weten ook zij niet wat te doen. Een jonge diender, die met zijn lange donkerblauwe regenjas en bruine Russische bontmuts meer het uiterlijk heeft van een losgeslagen guerrillastrijder dan van een serieuze politieagent, barst ter plekke in tranen uit. In 1986, dertien jaar oud was hij, heeft hij met het rebellenleger van Yoweri Museveni Oeganda van de dictatuur bevrijd. Het land zou er beter op worden, beloofde hij de mensen toen. Maar niks is er veranderd, concludeert hij nu: ‘Eerst hadden we Obote, toen Amin, daarna weer Obote. Nu hebben we de bom. Vijf bommen in één jaar! Tien! De Oegandezen hebben nu toch wel genoeg voor hun kiezen gehad?’

Terwijl de huilende politieagent en zijn collega’s vergeefs proberen nieuwsgierige mensen op een afstand te houden, komt met hoge snelheid een wit busje van het door de regering betaalde dagblad The New Vision aangescheurd. Fotograaf Cranimer Mugerwa springt uit het voertuig. Hij slaat zijn handen voor zijn ogen. ‘Vreselijk, vreselijk. Hoe is dit mogelijk?’ Hij rent in de richting van de mensen die op de twee terrassen maar weer begonnen zijn de zwaargewonde slachtoffers in auto’s en busjes te vouwen. ‘Hoe kan ik helpen?’ roept de fotograaf. Hij begint maar vast met wat mensen te slepen. Van de weeromstuit vergeet hij foto’s te maken: zijn camera’s blijven in het busje.

Een grote chique terreinwagen van een Deense ontwikkelingshulporganisatie arriveert. Geschrokken Denen die – hun mobiele telefoons in de aanslag – verscholen staan achter servieskasten onder een restaurantluifel vele meters verderop, worden ogenblikkelijk geëvacueerd. Bloedende slachtoffers kunnen ze op de Deense achterbank niet gebruiken.

Na enig aandringen van de schrijvende journalisten van zijn krant heeft fotograaf Mugerwa inmiddels een camera om zijn nek gehangen. De plassen bloed ontwijkend slentert hij over het slagveld. Een jonge man zit levenloos in een stoeltje aan de rand van het terras. Zijn ingewanden hangen er wat slordig bij, niemand die zich om hem bekommert: dood is dood. Mugerwa bidt tot god dat de man in de hemel terechtkomt. ‘Slachtoffers hebben altijd gelijk, lieve God’, zegt hij cryptisch met gesloten ogen. ‘Geef deze man zijn rust, vergeef hem al zijn zonden.’

‘Dit wordt de coverfoto!’ jubelt Mugerwa luttele seconden later als hij zich hervonden heeft en al flitsend tussen de doden en gewonden heen manoeuvreert.

EEN MOBIELE telefoon gaat over. Verbijsterd kijken de omstanders naar het rinkelende apparaat, in een van de grote plassen bloed, midden op het terras van de Telex Bar. Normaal gesproken weten Oegandezen wel raad met de cellulars: iedereen die het een beetje heeft gemaakt, mag in de straten van Kampala graag bellend gezien worden. Nu durft niemand het rinkelende apparaat aan te raken. De politieagenten en juist gearriveerde militairen wenden hun gezichten af, en morrelen maar wat aan de machinegeweren. Alsof ze die nu nodig zouden hebben. Uit de telefoon blijft onophoudelijk een vrolijk muziekje rinkelen: de eigenaar heeft Beethovens Für Elise als belsignaal ingeprogrammeerd.

Een van de omstanders die zonder al te veel moeite langs de politiemannen op het terras weet te komen, vist de besmeurde telefoon uit de plas. ‘Hello’, zegt hij vragend. Een Oegandese vrouw aan de lijn. Ze belt vanuit Canada en is op zoek naar haar zus. De man die net nog heldhaftig op de telefoon af liep, staat nu met zijn mond vol tanden. Na enig aarzelen: ‘Ja, u heeft wel het goede nummer gedraaid, denk ik. Maar waar uw zus is? Ik zou het niet weten.’

Hij wacht even op bijval van de starende politieagenten en militairen, maar gaat dan toch zelf verder: ‘Tja, hoe zal ik het zeggen. Kijk, er waren hier wat onregelmatigheden – het was wat rumoerig. En nu zou het best wel eens zo kunnen zijn dat uw zuster een heel klein beetje gewond is. In ieder geval is ze haar telefoon vergeten mee te nemen.’

Kijkend naar de enorme plas bloed waar hij zojuist de telefoon van de afgevoerde vrouw uit viste, schudt hij treurig zijn hoofd. Maar dat zien ze niet in Canada.

JIM TUMUSIIME van The Monitor is gearriveerd. Het kostte hem nog aardig wat moeite om door de verkeerschaos richting Kabalagala heen te komen. Bij het Mulago ziekenhuis, waar veel van de gewonden naartoe gebracht zijn, hoorde hij van de bommen. Eigenlijk is Tumusiime parlementair redacteur, maar voor deze gelegenheid wil hij wel even inspringen op de redactie Binnenland. Vooral omdat hij hoorde dat concurrent The New Vision al een uur geleden ter plaatse was. Hij ontmoet een geëmotioneerde BBC-radioverslaggeefster. ‘Treurig, treurig, maar dit is Oeganda’, zegt hij voor de BBC-microfoon. ‘Dit is Oeganda’, herhaalt hij nog maar eens. Samen gaan ze vervolgens op zoek naar iemand die een officiële persreactie kan geven. ‘Als je op omstanders moet vertrouwen vallen er immers altijd drie keer zo veel doden’, zegt Tumusiime droogjes.

De twee vinden een politiewoordvoerder die weet te vertellen dat er zeker twintig gewonden zijn en tot dusver twee doden. Geruchten dat enkele zwaargewonden het ziekenhuis niet levend bereikt hebben, kan de man niet bevestigen. De verslaggever van The Monitor weet genoeg en belt zijn verslagje door naar de redactie.

‘Het was niet de liefde waar Valentijnsdag dit jaar mee eindigde, het was bloed’, dicteert hij. ‘Na de aanslagen op cafés tijdens de WK-voetbalfinale, vorig jaar juli, is het openbare leven van Kampala weer opgeschrikt door twee hevige knallen. Eén man en één vrouw waren op slag dood. Heb je dat? Wát zeg je? Nee, geen Valentijnskoppel geloof ik.’

Tumusiime gaat verder: ‘Twee of, laat ik het zekere voor het onzekere nemen, drie slachtoffers stierven onderweg naar het ziekenhuis. Barmhartige Samaritanen, zowel Oegandezen als blanken, probeerden de slachtoffers weg te dragen. Genoeg?’

HET IS ELF UUR en eindelijk komt iemand op het idee om in de Telex Bar de geluidsinstallatie uit te schakelen. Voor de zoveelste keer kwam Madonna’s ‘Live to tell’ voorbij – toch wat wrang, vonden enkele omstanders.

Bij de Sha Sha Take Away, een stuk of tien panden verderop, speelt de muziek echter gewoon door. Door een paar straatkinderen is het terras ‘bomvrij’ gemaakt: alle rondslingerende vuilniszakken hebben ze voor een paar honderd Oegandese shillings opgeruimd. Nu worden hier goede zaken gedaan. Restaurantjes en cafés direct naast de getroffen Telex Bar en Family Shop and Snacks zijn op last van de politie immers juist afgesloten. ‘Gevaar voor nog meer bommen’, luidt de verklaring. De Sha Sha Take Away ligt net buiten de zone en heeft nu het monopolie in Kabalagala. Politieagenten, journalisten, maar ook de ‘barmhartige Samaritanen’ en de verjaagde Valentijnspaartjes drinken hier tegen woekerprijzen hun verdriet en angst weg. De stukjes kip die op de Sha Sha-barbecue liggen te roosteren, zijn al bijna gaar.

Trots toont een van de politieagenten lurkend aan een flesje cola de journalisten een scherp stukje metaal. ‘Een stukje van de bom’, fluistert hij. Terwijl hij zijn trofee weer zorgvuldig in een zakdoek in zijn binnenzak opbergt voegt hij eraan toe: ‘Kan mijn vrouw als ik vannacht laat thuiskom zien dat ik echt híer geweest ben. En niet bij een ander.’ Het is half twaalf. Met sirenes en zwaailichten arriveert in Kabalagala de eerste ambulance. Alle slachtoffers zijn inmiddels weggedragen.

DINSDAGOCHTEND meldt The Monitor dat een groep van negen verdachte Soedanezen is aangehouden. De bommen op het onder westerlingen zo populaire Kabalagala zijn volgens de krant een wraakactie voor de Amerikaanse bombardementen op de medicijnfabriek waar chemische wapens geproduceerd zouden worden – augustus vorig jaar. De Soedanezen, die sowieso de stabiliteit in Oeganda proberen te verstoren, hebben gehandeld in opdracht van Amerika’s staatsvijand nummer één: de militante moslimleider Osama bin Laden. ‘Dat weten we uit betrouwbare maar zeer geheime bronnen’, wordt me op de redactie van The Monitor verzekerd. © Peter Vermaas / De Groene Amsterdammer

Advertisements

About this entry