Rondje dope (De Groene Amsterdammer, 21 juli 1999)

Vorig jaar leek de Tour de France op z’n eind. Politie, stakingen, doping. Een jaar later lijkt de fietskaravaan de Champs Elysées zonder tumult te bereiken. De Tour is ‘schoon’. Maar waarom werd dopebestrijder Bassons dan uitgejouwd?

DOOR Peter Vermaas

DE ORGANISATIE van de Tour de France zal bij aankomst zondag in Parijs tevreden terugblikken. Drie weken koers en niet de minste smet. Een verrassende winnaar, mooie bergetappes, hogere gemiddelde snelheden dan ooit. De Tour is gered, want rellen zoals vorig jaar zijn uitgebleven. Een jaar geleden nog vreesden Tour-bazen en wielerliefhebbers voor het einde van hun ronde. De rennersstakingen als gevolg van de diskwalificatie van de Franse Festina-ploeg en TVM (‘Tout Va Mal’ zeggen de Fransen) uit Nederland waren beschamend voor de wielersport, zei Tour-directeur Jean-Marie Leblanc. De vele ploegen die uit angst voor de strengere dopingcontroles vorig jaar voortijdig de Tour verlieten en daarmee de grootste wielerronde ter wereld lieten doodbloeden, hadden heel wat uit te leggen.

Nu, in 1999, was dat allemaal heel anders. Geen grote dopingvondsten, geen rennersopstand: de Tour had zijn oude glans teruggevonden. De renner die maanden geleden op eigen initiatief stiekem een spuitje genomen had om op zijn oude dag toch nog net even iets harder te kunnen fietsen, de Belgische workingclass hero Ludo Dierckxsens, biechtte zijn zonde in het openbaar op. Tegen alle wielergebruiken in werd hij, om het sprookje van de schone Tour niet om zeep te helpen, door zijn eigen ploeg niet in verdediging genomen. Met het eerste vliegtuig mocht de renner naar huis. Terug naar Kasterlee – waar ongetwijfeld het hele dorp zal zijn uitgelopen om de held die martelaar werd binnen te halen. De winst in de elfde etappe mocht Dierckxsens van de internationale wielerunie (UCI) opmerkelijk genoeg houden. Omdat hij zo eerlijk was geweest alles op te biechten terwijl de dopingcontrole maanden na het toedienen van de injectie waarschijnlijk toch niks van de gebruikte corticoïden had teruggevonden.

Verder werd er niemand met verboden middelen gesnapt en was het dus een ‘schone’ Tour de France. Jean-Marie Leblanc kon het niet vaak genoeg zeggen. Slechts France des Jeux-renner Christophe Bassons, verklaard tegenstander van doping, wist sommige ploegleiders en Tour-bazen in verwarring te brengen door in zijn dagelijkse column voor dagblad Le Parisien de ene na de andere renner aan het kruis te nagelen. Ook Dierckxsens had volgens hem vast naar de ‘Pot Belge’ gegrepen (de illustere cocktail van amfetamine, cafeïne, cocaïne, heroïne en pijnstillers die bij Festina door renners en begeleiders zowel tijdens de koersen als op de kampioensfeesten erna kwistig geconsumeerd werd). Zelfs de bijna heilige gele-truidrager Lance Armstrong had volgens Bassons ‘gepakt’; hoe anders kon hij na een zware ziekte – de Amerikaan genas van kanker – zo formidabel rijden? Maar ondanks zijn beschuldigingen kon Bassons de Tour van Leblanc niet kapot krijgen. Na tweederde van de ronde moest de renner die meende ‘op helder water’ een Tour te kunnen rijden zelfs afhaken. Moegestreden, uitgeput. Een beetje lacherig werd de Franse gezondheidsfreak vaarwel gezegd. ‘Christophe qui?’ vroeg Ivan Gotti, winnaar van de Ronde van Italië, veelbetekenend toen de nummer 97 uit de algemene rangschikking vrijdag ontgoocheld naar huis vertrok. Over doping wordt niet meer gesproken. De Franse kwaliteitskrant Libération, die qua Tour-berichtgeving afgelopen zaterdag groots uitpakte, vatte het collectieve motto van de karavaan van 1999 krachtig samen: ‘Le dopage, c’était l’année dernièe.’

MAAR SCHOON is de Tour de France natuurlijk nog lang niet. Terwijl Christophe Bassons na de etappe tot half tien ’s avonds de pers te woord stond om de enorme groep teleurgestelde dopingvorsers toch nog met wat insinuaties naar huis te sturen, lagen de overige renners ongetwijfeld al lang en breed aan het infuus om te herstellen van de inspanningen. Want hoe fanatiek de Franse justitie, de Tour-dokters en de wielerunie ook controleren, doping in de wielersport zal altijd blijven bestaan. Sinds de eerste Tour de France in 1903 wordt met prestatieverhogende middelen gewerkt, en al wordt sinds de dood van Tommy Simpson op de flanken van de Mont Ventoux stevig gecontroleerd, tot op de dag van vandaag prikt en slikt het peloton dat het een lust is. Wanneer een renner ongeschonden de controles doorkomt, betekent dat in de regel dat hij ofwel een middel heeft gebruikt dat (nog) niet op te sporen is, ofwel een middel heeft gebruikt dat (nog) niet op de zwarte lijst staat, ofwel dat hij bij de controle op ingenieuze wijze de arts om de tuin geleid heeft.

In het boek Prikken en slikken: Memoires van een wielersoigneur verhaalt de geplaagde verzorger Willy Voet van de vorig jaar uit de koers genomen Festina-ploeg over dertig jaar doping in de wielersport. Het beeld dat hij in de bestseller schetst is ontluisterend, maar vaak ook hilarisch. De tot soigneur omgeschoolde buschauffeur annex krantenbezorger schetst in anekdoten zoals alleen de wielersport die kent, een beeld van een sport die maar weinigen openlijk toegeven te kennen. Zonder corticoïden, amfetaminen, clenbuterol, creatine en wat dies meer zij is de wielerwereld niet vooruit te branden. Qua inname doet de karavaan grootverdieners die zondag in Parijs de Champs Elysées opstuift niet onder voor de horde straatarme junks op de Amsterdamse Zeedijk. Met dien verstande dat een junk van zijn dwangmatig en ongecontroleerd gebruik meestal niet veel beter wordt en dat onder strikte medische begeleiding van een beroepsrenner met nauwkeurig gedoseerde drugs een soort ideale sporter geconstrueerd wordt.

Volgens commentatoren is de beste coureur meestal de sportman die ‘één is met zijn fiets’: de renner die in een constante cadans slechts zijn benen beweegt en de machine die hij aandrijven moet tot een deel van zijn lichaam maakt. In combinatie met de enorme kennis van het eigen gestel en de perfect afgewogen kuren is de wielrenner zelf deel van die machine geworden. Waar de samenleving zich met ethische bezwaren nog altijd met hand en tand verzet tegen manipulatie van dieren of planten, wordt in de wielersport door minutieus afgewogen voeding, optimale training, regelmatige medische tests in combinatie met het toedienen van stimulerende middelen de ideale renner gecreëerd. Biokippen of kistkalveren op de fiets.

‘Doping maakt sinds jaar en dag onlosmakelijk deel uit van de wielersport’, schrijft Willy Voet ergens in zijn chronique scandaleuse. In het tijdsbestek van een jaar roep je zoiets geen halt toe. Ronduit schijnheilig zijn in dat licht de verhalen over een ‘schone Tour’ die opperbaas Leblanc om zijn hachje te redden de wereld instuurt. Maar heeft het ook wel zin te streven naar een Tour de France die vrij van doping is? Steeds weer zullen nieuwe drugs gevonden worden die (nog) niet aangetoond kunnen worden of niet op de lijst van verboden middelen staan. En ook steeds weer zullen typen als Willy Voet manieren verzinnen om de dopingcontroleurs te slim af te zijn. Zoals renners de afgelopen jaren, getuige het boekje van Voet, geen bezwaar hadden tegen het vlak voor de dopingcontrole injecteren van schone urine in de urinebuis, of tegen het in de anus meedragen van een condoom met (schone) urine van de vrachtwagenchauffeur of de mecanicien, zullen renners in de toekomst dergelijke uitvluchten ook niet snel verwerpen. De renners doen maar al te graag mee. Festina-renner Pascal Hervé zou tegen Voet gezegd hebben: ‘Luister, ik ben negenentwintig jaar. Dat betekent dat ik vier of vijf jaar de tijd heb om geld te verdienen bij de profrenners. Ik heb het net tegen de dokter gezegd, en ik zeg het ook tegen jou: op een prikje meer of minder moet je niet kijken. Ik weet hoe de vork in de steel zit, ik ken het systeem. Aan mij hoef je het niet vriendelijk te komen vragen.’

Tijdens de zo veel besproken Tour de France van vorig jaar wierp oud-wielerverslaggever Bert Wagendorp op de opiniepagina van de Volkskrant de steen in de vijver. Onder het wat clichématige motto ‘Niemand wint de Tour op een boterham met pindakaas’ pleitte hij voor het vrijgeven van doping. Waarom gelden in de sport andere maatstaven dan in de ‘gewone samenleving’? Waarom zou een wielrenner bij de uitoefening van zijn vak geen gebruik mogen maken van stimulerende middelen en een willekeurige andere arbeider wel? ‘Wordt de journalist die zich met behulp van nicotine, cafeïne en alcohol een weg baant naar de hoogste regionen van zijn stiel, geschorst als hij op het gebruik van die middelen wordt betrapt? Nee, want uw krant zou in dat geval veel witte pagina’s tellen’, schreef Wagendorp. Maar is er dan geen enorme competitievervalsing? zouden tegenstanders van een liberaler dopingbeleid zich kunnen afvragen. Kom nou, schreef Wagendorp, competitievervalsing is er toch wel: de grote Spaanse Banesto-ploeg heeft nu eenmaal meer geld dan het nietige Nederlandse TVM. En met geld is in de wielersport veel te verwezenlijken. Bovendien: de wielerliefhebber maakt het allemaal niets uit, betoogt Wagendorp. ‘Gert-Jan Theunisse werd een held nadat hij werd betrapt en hetzelfde zal gebeuren met Richard Virenque.’

Die voorspelling is in ieder geval uitgekomen. Richard Virenque, die samen met de genoemde Pascal Hervé blijft ontkennen ooit iets genomen te hebben, doorkruist alsof er niets veranderd is in de bolletjestrui Frankrijks wegen. Op het asfalt van menig bergweggetje staat zijn naam gekalkt, spandoeken laten aan duidelijkheid niets te wensen over: Virenque is populairder dan ooit. De afgestapte helder-waterfietser Bassons wordt daarentegen uitgejouwd en van zijn fiets gelachen. Het publiek kent het wielrennen immers van de bovenmenselijke prestaties, de heroïek. In 86 jaar Tour de France zijn jaarlijks botten gebroken en menselijke organen opgeblazen waarvan een normaal mens het bestaan nooit kende. Het hoort erbij. De valpartijen, de fysieke onmogelijkheden horen nu eenmaal bij het beeld dat de wielerliefhebber van de Tour heeft en graag wil houden. Zo ook doping. De wielersport is een monument van heroïek waar bovenmenselijke daden verricht dienen. Bij Christophe Bassons was het bovenmenselijke ver te zoeken. De geplaagde Franse zonnekoning Richard Virenque werd deze Tour de France een ware volksheld en de suffe Bassons vanwege zijn propaganda voor een in ieders ogen illusoire schone wielersport een regelrechte loser.

In zijn pleidooi voor liberalisering had Wagendorp de rellen rond de ‘Tour d’Epo’ van vorig jaar graag een ander gevolg gegeven. Het ware dé kans een eind te maken aan de hypocrisie die nu alleen maar erger is geworden. Bij zijn arrestatie had Richard Virenque die kans moeten grijpen en de wielersport moeten hervormen. Volgens Wagendorp had hij moeten zeggen: ‘Ik heb de afgelopen jaren, onder strikte medische begeleiding, doping gebruikt. Ik heb dat gedaan omdat ik ook wel eens een keer de Tour de France wilde winnen. Daarvoor heb ik deskundige medische hulp ingeroepen. Ik hoef u, als wielerinsiders, niet te vertellen dat het onmogelijk is de Tour de France te winnen zonder medische hulpmiddelen. En als u dat niet gelooft, vraag het dan maar aan Bjarne Riis, Miguel Indurain of Greg LeMond.’

JARENLANG IS ER over dopinggebruik in het wielrennen gespeculeerd en jarenlang is het binnen de besloten wereld van de volgerskaravaan gebleven. Door zijn arrestatie en zijn openhartige verklaringen heeft Willy Voet praktijken geopenbaard die de internationale wielerunie en de directie van de Ronde van Frankrijk ertoe gezet hebben een heuse oorlog tegen de doping te ontketenen. Voet publiceerde zijn dagboeken en in Frankrijk verscheen nog een aantal overzichtswerken waarin een soortgelijk beeld van de wielersport wordt geschetst. In Nederland rekende zelfs Mart Smeets met zijn goedgelovige verleden af. In zijn vorige maand verschenen roman De kopgroep wordt door fictieve Tour-renners op iedere pagina geslikt en gespoten.

Okee, we weten nu wat er in de wielersport gaande is. De dopingoorlog tegen beter weten in, zoals die vorig jaar door de Franse justitie begonnen is en de afgelopen weken in de Tour de France door de wielerunie en de Tour-directie voortgezet is, lijkt nu net de verkeerde oplossing. De enige juiste reactie zou zijn: liberalisering. Gesjeesde paardefokkers of krantebezorgers die wielersoigneur worden en in opdracht van een arts in achterkamertjes stimulerende middelen injecteren, zullen tot de verleden tijd behoren. De medische begeleiding kan bij vrije doping nóg optimaler. Meer gewonden of zelfs doden dan er nu al in de wielersport te betreuren zijn, zullen er niet komen. Professioneel wielrennen is nu eenmaal geen gezonde sport en zal dat ook nooit worden. Decriminalisering van doping maakt de sport in ieder geval een stuk meer transparant en een stuk minder schijnheilig. En alle UCI- of Justitiecontroles ten spijt, nooit zal Christophe Bassons de Tour de France winnen. © Peter Vermaas / De Groene Amsterdammer

Advertisements

About this entry