Politiek zonder visies (De Groene Amsterdammer, 12 mei 2001)

 Waar is het debat?

Het eens zo glorierijke poldermodel is zijn glans aan het verliezen. Het gebrek aan werkelijke tegenstellingen in de doorgeslagen consensuspolitiek heeft geleid tot verlamming en besluiteloosheid. Waar is de politieke strijd? Waar is het debat?

 

DOOR Peter Vermaas

Ongeveer een jaar geleden maakte de jongerenafdeling van de Socialistische Partij nieuws met het ronkende statement dat werkgeversvoorzitter Schraven maar beter voorzitter van de vakbond kon worden. FNV-voorman De Waal, zo bedreven in loonmatiging, zou het dan kunnen proberen bij werkgeversclub vno-ncw. De twee waren domweg inwisselbaar, vonden de socialistische jongeren. De actie was met haar nadruk op het succes van Schraven om voor topmanagers dertien procent loonsverhoging te verwezenlijken natuurlijk vooral ludiek bedoeld, maar onbewust sloegen de tovenaarsleerlingen van Jan Marijnissen de spijker op de kop. Wie vandaag de dag naar de sociaal-economische polderbrij kijkt, zou al gauw het idee kunnen krijgen dat er van wezenlijke tegenstellingen geen sprake meer is. De verschillende partijen lijken van meet af aan naar hetzelfde compromis toe te werken, nog voordat de verschillen van mening tot uiting zijn gekomen.

De hausse aan publiciteit over het zo succesvolle poldermodel is duidelijk voorbij. Rond het aantreden van het tweede paarse kabinet schreven de buitenlandse bladen nog vrijwel wekelijks vol ontzag over «the Dutch miracle». Waar kwam die tevredenheid, die onvoorstelbare eensgezindheid in dat kleine landje aan de Noordzee toch vandaan? «The cosy Dutch consensus» was, aldus The Economist «bijna te mooi om waar te zijn.» Dit Britse blad had, in tegenstelling tot vrijwel alle Duitse media, ook behoorlijk wat aandacht voor de minder schone kanten van het Nederlandse succes. Het officiële werkloosheidscijfer geeft bijvoorbeeld een «te rooskleurig beeld». Niet alleen omdat veel mensen parttime werken, vooral ook omdat een zo groot percentage van de bevolking van een ziekte- of arbeidsongeschiktheidsuitkering rondkomt. Enkele Amerikaanse bladen, waaronder The Wall Street Journal, wezen ook nog op de negatieve rente-effecten en kwalificeerden het poldermodel daarom als «zeepbel». Het merendeel van de Holland-watchers was tot 1999 echter louter enthousiast. Nu is het alweer enige tijd stil. Als buitenlandse kranten nog over Nederland schrijven, dan komen vooral de oneffenheden in het lokale bestuur bij de rampen in Enschede en Volendam of de uiterst liberale euthanasiewetgeving aan de orde. Het poldermodel, de vlag op de Nederlandse consensusdemocratie, heeft sterk aan populariteit ingeboet.

In eigen land heeft het poldermodel weer een wat ruimere definitie gekregen. Niet alleen het sociaal-economische overleg in Stichting van de Arbeid en Sociaal-Economische Raad wordt bedoeld, maar steeds vaker wordt met de poldermetafoor het geheel van Nederlandse consensuspolitiek, volgens cultuurhistorici ooit voortgekomen uit de gezamenlijke zuil-overstijgende strijd tegen het water, aangeduid. Dat consensusmodel begint volgens de gebruikers slijtagetrekjes te vertonen. Met enige regelmaat zijn er politici, wetenschappers en columnisten die aan de bel trekken en het huidige overleg als te ver doorgeslagen kwalificeren.

In politieke hoek is het niet geheel opzienbarend dat de kritiek vooral in D66-kring tamelijk luidt klinkt. Om redenen van democratische aard zegt deze partij al sinds jaar en dag moeite te hebben met de politiek van de achterkamertjes. Als politieke meningsverschillen niet meer tot uiting komen in het parlement en debatten nog slechts achter gesloten deuren worden uitgevochten, dan is de democratie in het geding. In het paarse kabinet blijkt bovendien dat in het politieke geweld van de tegenpolen VVD en PvdA de ideeën van de sociaal-liberalen ietwat ondergesneeuwd zijn. In zijn Den Uyl-lezing van vorig jaar trok voormalig D66-minister van Economische Zaken Hans Wijers het poldermodel zonder al te veel omhaal van zijn voetstuk.

De 24-uursgoeroe van Paars 1 heeft tijdens zijn ministerschap kennelijk heel andere ervaringen opgedaan dan bijvoorbeeld premier Kok en minister Zalm, die her en der in het buitenland het Nederlandse succes dienden te duiden. Wijers vindt dat de consensusdrang Nederland te traag maakt om de vernieuwingen van de kenniseconomie aan te kunnen.

Meer recent, in het aprilnummer van het D66-blad Idee, liet ook Wijers’ partijgenoot Brinkhorst in een openhartig interview zijn licht schijnen over het poldermodel. «De overheid moet transparantie en keuzevrijheid bevorderen en zelf ook keuzes maken», zegt de minister van Landbouw daar. «Eén van mijn grote kritiekpunten op het poldermodel is dat het vaak échte keuzes uit de weg gaat of verdoezelt. Het poldermodel lost gestelde dilemma’s niet op, maar doet van alles een beetje. Net doen of het er niet toe doet welke keuze je maakt, is óók een keuze.» Als minister in oorlogstijd heeft hij echter ook nog andere motieven om het poldermodel te verwensen: «Als ik om vijf uur ’s middags in een crisis een beslissing moet nemen, kan ik niet allerlei organisaties langsgaan. Het poldermodel deugt dan niet. (…) Er zijn beslissingen die leiderschap ver eisen. Leiderschap vereist politieke aansturing. Een minister of een staatssecretaris neemt een beslissing. De kans dat hij daarop wordt aan gevallen is natuurlijk altijd aanwezig. Maar dat moet hij accepteren, want hij moet ook democratisch worden gecontroleerd.»

Juist vanuit democratisch oogpunt is er van alles mis met de doorgeslagen consensuspolitiek. In de recent verschenen bundel De lege tolerantie (Boom) en in een bijdrage aan Filosofie Magazine laat Joke J. Hermsen aan de hand van politiek filosofe Hannah Arendt zien hoe democratie verschillende meningen, of sterker: conflicten, nodig heeft om te overleven. «De pluriformiteit die dat oplevert, dreigt verloren te gaan als elke politieke of ethische kwestie met een compromis wordt gladgestreken», schrijft Hermsen. Zo krijgt het publiek nauwelijks inzicht in de politieke of morele afwegingen die tot dat compromis hebben geleid. Voortbordurend op Hannah Arendt zou je kunnen zeggen dat in een model waarin meningen er politiek gezien niet meer toe doen, het voor het publiek niet meer noodzakelijk is een eigen standpunt of oordeel te formuleren. Dat leidt tot politieke onverschilligheid en homogeniteit en transformeert een democratie uiteindelijk, aldus Arendt natuurlijk, in een totalitair stelsel. «Het ergste van onze Hollandse polderpolitiek is dan ook niet dat ze saai en grijs is geworden, maar dat ze wel eens drijfzand kan blijken te zijn onder ons democratisch stelsel», concludeert Hermsen.

Zo ver is het natuurlijk nog niet, maar het grote gebrek aan werkelijke tegenstellingen in de doorgeslagen consensuspolitiek heeft inmiddels al menig Binnenhof-watcher tot wanhoop gedreven. Iedereen vindt hetzelfde. De «lood-om-oud-ijzertheorie» (Hans Righart) heeft toegeslagen. Waar is de politieke strijd? Waar is het debat?

Politicoloog Jos de Beus deed twee jaar geleden in het boekje Ruil zonder zuil een poging zijn aarzelingen bij de huidige politieke constellatie te verwoorden. Het gebruik van de consensusmethode is, kort samengevat, niet meer van deze tijd. «Van oudsher is de consensusmethode het meest geschikt om die conflicten te beslechten die anders aanleiding zouden geven tot grote maatschappelijke en politieke ontwrichting. De methode is ongeschikt als iedereen het bij voorbaat al eens is over de principiële benadering van problemen en hun bestuurlijke oplossing.» Dan is er dus op voorhand harmonie. De Beus somt in zijn boekje de consequenties van «overmatige consensus» op. «Wanneer er geen enkel verschil meer wordt gemaakt tussen politiek ideaal en lopend beleid en wanneer daarnaast de meeste politici en politieke partijen medeverantwoordelijk zijn voor lopend beleid, dan komen politicus en partij in de vuurlinie te liggen zodra er zich bestuurlijke blunders en fiasco’s voordoen», schreef De Beus, verwijzend naar het «achterstallig onderhoud» dat inmiddels is geclaimd door de SP met het zogeheten «burgerinitiatief» Stop de uitverkoop van de beschaving. De Beus: «Het onvermogen tot zelfreiniging wordt nog volmaakter door kabinetsformaties die worden beheerst door wetstechnische en partijpolitieke kleinigheden. Deze hele tegenstrijdigheid heeft zich geopenbaard in alle grote ‹dossiers› van de ‹interactieve› consensusbestuurders die zich tot even zovele zwartboeken hebben ontwikkeld: de wao, Srebrenica en talloze andere affaires.»

In regeerakkoorden werden vroeger door de Tweede Kamer slechts in kort bestek enkele hoofdlijnen van het beleid opgeschreven. De laatste jaren, en dan vooral in de twee paarse kabinetten, zijn ze behoorlijk gaan uitdijen en extreem gedetailleerd geworden, waardoor elke vrije ruimte in het regeren achterwege blijft. De eindeloze discussie over de Zalmnorm laat dat bijvoorbeeld zien. Daarbij komt, constateerde de Leidse politicoloog Andeweg al eens, dat het regeerakkoord bij Paars 2 in een vlaag van doorgeslagen consensusdenken vooral door de bewindspersonen zelf in elkaar is gedraaid. «Het kabinet vormde zichzelf, maakte zijn eigen afspraken, en bond daaraan de kamermeerderheid», schreef Andeweg. «Zo verschuift het zwaartepunt in de formatie van het democratisch gelegitimeerde parlement naar de regering die haar legitimering zelf juist aan dat parlement zou moeten ontlenen.»

In 1994 liet het eerste paarse kabinet weten niets te moeten hebben van corporatisme, achterkamertjespolitiek en wat dies meer zij. Het «primaat van de politiek» zou worden hersteld, meldden de onderhandelingspartners voor het regeerakkoord, in weerwil van berichten dat het neo-corporatisme troef zou zijn in een vvd-pvda-kabinet. Maar nee, Paars zou een «gewoon kabinet» worden en eindelijk weer eens knopen doorhakken. Op het gebied van de sociale zekerheid gebeurde dit voor een groot deel.

De Nederlandse verzorgingsstaat is totaal veranderd. Met name de rol van werkgevers en werknemers, de klassieke partners in het compromismodel, is naar de achtergrond verschoven. Dit leidde eind 1999 tot een veenbrand in de polder. De voorstellen van toenmalig minister De Vries van Sociale Zaken om de vakbonden buitenspel te zetten in het nieuwe stelsel van sociale zekerheid, leverden vooral veel heftige uitspraken voor de bühne op. Vakvereniging en werkgevers voelden zich «belazerd» en vreesden, met veel retoriek, het eind van het poldermodel, zeiden ze. Het paarse kabinet had genadeloos toe geslagen.

Maar dát er wat aan het stelsel van sociale verzekeringen gesleuteld moest worden, daarover was vrijwel iedereen het eens. Het herstel van het primaat van de politiek, zoals Paars dat beloofd had, leverde, in die politiek zelf, niet direct nieuwe verfrissende tegenstellingen op. De grote scheidslijnen van de vorige eeuw, aanvankelijk de antithese tussen confessionele en seculiere politiek en later de tegenstelling tussen sociaal-economisch links en rechts, bestaan niet meer. Sinds Wim Kok in de Den Uyl-lezing in 1995 zijn ideologische veren heeft afgeschud is er bij vrijwel alle politieke partijen nog maar één interessepunt: het algemeen belang. De kritiek van PvdA-fractievoorzitter Ad Melkert, afgelopen zaterdag in de Volkskrant, is in die zin terecht. Hij zei: «Door alles wat zich in de loop der jaren heeft voltrokken, heeft Wim Kok zich te veel in zijn schulp teruggetrokken. Hij heeft wel eens onnodig mogelijkheden laten liggen om mensen toch te mobiliseren en te zeggen: daar gaan we naar toe. Wim heeft in zijn Den Uyl-lezing laten zien dat de ideologische veren moesten worden afgeschud. Maar dat daaronder ook nog een hart klopte of dat er weer wat zou aangroeien, aan dat perspectief heeft het soms ontbroken.»

De uitspraken van Melkert zijn in het nieuwsbericht dat de Volkskrant op de voor pagina plaatste behoorlijk uitvergroot. «Melkert: Kok zwak als politiek leider», stond er boven de opening van de krant. Maar de kritiek van Melkert staat toch wel ergens voor. Nederland is de laatste jaren geregeerd als ware het de Raad van Bestuur van een grote onderneming. Een onderneming waarvan de burgers nog slechts (tevreden) aandeelhouder zijn, zoals postmoderne bestuurskundigen niet zonder warm enthousiasme met enige regelmaat verkondigen. Een werkelijke totaalvisie, die zich afzet tegen een visie die elders klinkt, is dan niet meer voorhanden. Niet de politieke achterban, de noodlijdende politieke partijen, maar dure adviesbureaus zorgen voor een visie op het beleid. Onlangs deed het Financieele Dagblad een beroep op de Wet Openbaarheid van Bestuur en kwam daarmee te weten dat het ministerie van Verkeer en Waterstaat voor externe adviezen soms meer dan achthonderd gulden per uur kwijt is. Het ministerie liet dit jaar al door vele commissies aanbevelingen doen. De veiling van radiofrequenties, de problemen bij de Nederlandse Spoorwegen en de kilometerheffing waren allemaal onderwerpen waarbij de minister er zelf niet uitkwam en advies inwon.

Want dat is misschien nog wel het meest typerend voor de politiek van het moment: de besluiteloosheid. Wim Kok zette de toon toen hij in 1998 na de toegenomen stroom asielzoekers ten einde raad de gevleugelde woorden sprak: «Wie een alternatief heeft, mag het zeggen». Het kabinet wist het ook niet meer — de asielzoekers belandden in tenten op de Veluwe. Ondanks een glunderende minister Hermans die bij minister Zalm extra miljarden voor het onderwijs heeft losgepeuterd, lijkt ook niemand op zijn ministerie een werkelijke oplossing voor het lerarentekort en de overvolle klassen te hebben. Het ministerie heeft dit jaar zelfs een prijsvraag onder leraren en leerlingen uitgeschreven om tot een coherente beleidsvisie te komen. En ondanks de stapels adviezen die het ministerie van Verkeer en Waterstaat heeft ingewonnen over Betuwelijn, HSL en rekeningrijden en de volledige of gedeeltelijke verzelfstandiging van de Nederlandse Spoorwegen, is over veel van deze grote thema’s nauwelijks een eensluidend besluit genomen. Op het moment dat het rekeningrijden er lijkt te komen, worden als bij donderslag alle plannen van tafel geveegd en moet de Nederlandse automobilist aan de «Mobimiles», het systeem van kilometerheffing van extern adviseur Roel Pieper. De besluiteloosheid maakt het in 1994 beloofde primaat van de politiek een nogal moeizame exercitie.

Met duidelijker tegenstellingen zou het bestuur misschien minder snel vastlopen. De «politieke aansturing» waar Laurens Jan Brinkhorst het over had, zou dan weer werkelijk uit de politiek moeten komen en niet van de externe adviseurs. Dat betekent niet alleen dat de (overigens krimpende) achterban van politieke partijen de beleidsmakers zou moeten «voeden», maar ook de Tweede-Kamerfracties. Cultuurpsycholoog Jeroen Gradener schrijft in zijn deze week verschenen pamflet Index van het algemeen belang (De Balie) dat het volksvertegenwoordigers niet lukt «discussies aan te zwengelen waarin andere argumentaties dan die van de haalbaarheid en be taalbaarheid een rol spelen». Zo’n discussie zou bijvoorbeeld de toekomst van de multiculturele samenleving kunnen zijn. Hier over is inderdaad twee dagen in de Tweede Kamer gedebatteerd, maar niet op initiatief van die Kamer zelf. De freischwebende (?) Intellektuell Paul Scheffer wist zijn essay Het multiculturele drama op de parlementaire agenda te krijgen. Hoewel er opeens waarachtig enkele tegengestelde meningen te bespeuren waren, was het debat louter symbolisch.

Zijn er soms wel tegenstellingen maar komen ze alleen niet voldoende aan de oppervlakte? Dat is wat de beroemde Nederlandse verzuilingspoliticoloog en consensusspecialist Arend Lijphart beweert. Lijphart, al jaren genaturaliseerd Amerikaan, kwam eind vorig jaar even terug naar Nederland en meende toen enorm veel «scherpe debatten» te zien, «zowel binnen de coalitie, als tussen coalitie en oppositie», zei hij tegen NRC Handelsblad. Naar consensus streven is iets anders dan consensus hebben, merkte hij op. Het komt door de pers die, overigens net als in de Verenigde Staten, van de politiek één pot nat maakt. In dit idee wordt Lijphart opmerkelijk genoeg trouwens gesteund door hoofdredacteur Arendo Joustra van weekblad Elsevier. «Het poldermodel is van de politiek overgeslagen op de journalistiek», zegt Joustra. «De Haagse journalistiek reageert te veel mee. In die sfeer ontstaat een vorm van zelfgenoegzaamheid die verlammend is voor discussies die te maken hebben met de publieke zaak.» In de ogen van Lijphart en Joustra is er een situatie van geblokkeerde politisering en het is voor journalisten zaak meer op zoek te gaan naar de kennelijk aanwezige, maar sluimerende tegenstellingen.

Gradener doet in zijn pamflet een aantal aanbevelingen aan de politiek om weer meer zichtbaar te worden. Hij stelt voor om de democratie ook open te stellen voor andere dan traditionele partijvormen, bijvoorbeeld belangenorganisaties. Als tegenstellingen tussen traditionele partijen niet meer te vinden zijn, dan moet bijvoorbeeld een club als Greenpeace tot het politieke stelsel worden toegelaten. Een suggestie die eerder in het televisieprogramma Buitenhof door Jos de Beus is gedaan. Verder stelt Gradener onder meer voor een soort «tegenmacht» te formeren om zaken van publiek belang, zoals privatiseringskwesties, weer op de politieke agenda te krijgen en om meer te investeren in bepaalde instrumenten waarmee het parlement en de samenleving die tegenmacht zélf kunnen uitoefenen.

Het zijn nobele strevens. En misschien dat zoiets als het afschaffen van het verlammend werkende regeerakkoord, zoals hierboven aangegeven, er nog aan toegevoegd kan worden.

Toch zal het klimaat er niet meteen anders van worden. Het gevoel van onbehagen over de Nederlandse politiek wordt sowieso maar in uiterst bescheiden kring ervaren. In politiek en cultureel centrum De Balie wordt onder auspiciën van het ministerie van Binnenlandse Zaken nu al geruime tijd over de «Renaissance van de politiek» gediscussieerd, maar gigantische groepen verontruste burgers hebben de verschillende debatten en openbare colleges niet op de been gebracht. In tijden van voorspoed is het lastig een discussie te voeren die in bredere kringen dan de wetenschappelijke en journalistieke wordt gevoerd. Het merendeel van de Nederlanders is prima tevreden en deelt in de jaarlijkse vreugd over nog rooskleuriger begrotingen en meer belastingverlaging. Het is daarom goed om, zoals Joke Hermsen met betrekking tot het poldermodel stelt, altijd helder vast te stellen of de gevoelens van onbehagen niet voortkomen uit de Nederlandse gewoonte om dingen waar we goed in zijn te bagatelliseren of, zoals Jeroen Gradener in het voor De Balie geschreven pamflet schrijft, voortkomen uit «nostalgie naar tijden van polarisatie».

Of om optimist Lijphart nog eens aan te halen: «Het is altijd moeilijk het electoraat tevreden te stellen. Het is vaak, gevoed door journalistiek, ontevreden wat er ook gebeurt. Of er is geen debat, en dan vindt men dat de politiek te weinig gezicht heeft. Of er is de bat, en dan klaagt men over zinloos conflict.»

© Peter Vermaas / De Groene Amsterdammer

Advertenties

About this entry