Wat de minister zegt, klopt (De Groene Amsterdammer, 30 augustus 2003)

→ Waarom Nederland de oorlog steunde

Terwijl in veel andere landen waarheidsvinding vooropstaat, wordt de Nederlandse evaluatie van «Irak» langs partijpolitieke scheidslijnen bedreven. De oppositie probeert de onderste steen boven te krijgen, de coalitie volhardt in verwijzingen naar VN-resoluties. Het wachten is op een Nederlandse defensiespecialist die uit de school klapt.

DOOR Peter Vermaas

En weer werd afgelopen week een regeringsleider door een defensiespecialist in problemen gebracht. Nu in Australië, dat in maart dit jaar met tweeduizend manschappen betrokken was bij de Brits-Amerikaanse campagne tegen het regime van Saddam Hoessein. Andrew Wilkie heet de defensiespecialist. En tot voor kort was hij medewerker van het Office of National Assessment (ONA), dat de Australische regering adviseert op het gebied van informatie van inlichtingendiensten. In een eerste zitting van de parlementaire onderzoekscommissie die de Australische motieven voor steun aan de oorlog onderzocht, verklaarde Wilkie afgelopen vrijdag dat de regering speculatief materiaal van inlichtingendiensten, bijvoorbeeld over de bereidheid van Irak om wapens te verkopen aan terroristen, naar buiten bracht als harde feiten. Premier Howard persoonlijk is verantwoordelijk voor deze «oneerlijkheid», betoogde Wilkie: «Het materiaal ging rechtstreeks van de ONA naar het bureau van de minister-president en de overdrijving voltrok zich daar binnen, de oneerlijkheid gebeurde ergens daar.»

In Engeland worden ondertussen de verhoren voortgezet van de commissie-Hutton, die de toedracht onderzoekt van de vermeende zelfmoord van David Kelly, de wapenexpert die dáár voor vuurwerk zorgde. Ook hier spitst het onderzoek zich toe op de wijze waarop de Britse regering is omgesprongen met gegevens van de inlichtingendiensten en op de vraag of de rapporten van die inlichtingendiensten al dan niet zijn aangedikt, zoals Kelly voor zijn dood tegenover verschillende BBC-verslaggevers beweerde.

In de Verenigde Staten idem dito. Nu in Irak nog altijd niet de gevreesde massavernietigingswapens zijn gevonden, neemt ook in Washington het ongeduld toe. Het Congres onderzoekt of de inlichtingeninformatie wel op de juiste manier is geïnterpreteerd. En of de aanleiding voor de oorlog niet halverwege de militaire veldtocht is veranderd. Terwijl aanvankelijk de acute dreiging van massavernietigingswapens vooropstond, verklaarde onderminister van Defensie Wolfowitz dat het eigenlijke doel regime change was, het omverwerpen van Saddam Hoessein.

En in Nederland? In Nederland gebeurt vooralsnog hoegenaamd niets. Het leek of iedereen zat te wachten tot ook hier een anonieme inlichtingenexpert of defensiespecialist van de rijksoverheid zou opstaan en zijn verhaal zou doen. Maar niets van dit al. Het parlement was de afgelopen twee maanden met reces en vond de discussie over de werkelijke «casus belli» of de mate waarin vertrouwd is op aangedikte informatie van de Britten of Amerikanen niet belangrijk genoeg om terug te keren. Nederland verleende geen militaire steun aan de oorlog, maar slechts politieke steun.

Maar maakt dat eigenlijk enig verschil? De Nederlandse regering vindt van wel. «Amerikaanse en Engelse mannen en vrouwen zijn naar Irak gestuurd om daar te vechten», zei minister Kamp van Defensie in een interview. «Dan is het nogal logisch dat parlement en pers kritisch zijn als er vraagtekens bestaan.» Wat Nederland betreft reageerde hij voor de Nova-camera’s vanuit zijn woonplaats Borculo enigszins geagiteerd over de ophef die de oppositie maakt. Men moest hem maar geloven.

Kamerlid Van Bommel, als lid van de fractie van de Socialistische Partij altijd een verklaard tegenstander van iedere vorm van militaire interventie, vindt de positie van Nederland wél vergelijkbaar met die van de landen die op het slagveld vertegenwoordigd waren. Het maakt volgens hem niet uit of je de oorlog nu «militair» of «politiek» steunde: «Steun aan een oorlog is steun aan een oorlog. We namen deel vanaf het moment dat de wapentransporten door ons land naar de Rotterdamse haven denderden. We zitten wat dat betreft in hetzelfde schuitje als Engeland of Australië.» Bert Koenders (PvdA): «Binnen Europa was het echt een kerndebat, waarbij de Fransen en de Duitsers een andere positie innamen dan wij. Onze politieke steun is een belangrijke keuze geweest, waarover terecht lang gedebatteerd is.» Bert Bakker (D66): «Dat rare standpunt was natuurlijk louter voor binnenlands gebruik, om de moeizame formatie-onderhandelingen tussen CDA en PvdA vlot te trekken. Nederland steunde gewoon de oorlog. Dat werd althans duidelijk in het buitenland. En nu is het belangrijk de motieven voor deze steun te achterhalen.»

Nu het reces voorbij is, kan dat eindelijk gebeuren. In antwoord op een verzoek van Koenders, dat ondanks aarzelingen van met name het CDA werd overgenomen door de commissie Buitenland, kwam minister De Hoop Scheffer afgelopen weekend met een uiteenzetting over de Nederlandse motieven om de oorlog te steunen en de wijze waarop Nederland met informatie van inlichtingendiensten is omgegaan. «Niet het bewijs van de aanwezigheid van massavernietigingswapens in Irak» heeft volgens deze brief «voor de Nederlandse regering de doorslag gegeven», maar de «onwil van het regime van Saddam Hoessein» om tegemoet te komen aan Veiligheidsraadresolutie 1441, die finale Iraakse openheid beoogde over de massavernietigingswapens.

Dat is een formalistische of in elk geval tamelijk juridische verklaring achteraf. Bert Koenders noemt het Wortspielerei. In de resoluties waaraan De Hoop Scheffer refereert, wordt immers primair over de dreiging van massavernietigingswapens gesproken. Daar komt bij dat De Hoop Scheffer er eerder geen enkele moeite mee had de wapens waarover Irak zou beschikken tot inzet van het Nederlands standpunt te maken. Legitimatie voor regime change was niet aan de orde, zei de minister in september vorig jaar nog in de Kamer: «Maar de legitimatie voor optreden van de internationale gemeenschap ligt voor mij nagelvast in de kwestie van de massavernietigingswapens.» Ook premier Balkenende liet voor de gelegenheid aan duidelijkheid niets te wensen over: Nederland weet dat er massavernietigings wapens zijn en daar draait de oorlog om. Balkenende op 18 maart: «De essentie is de ontwapening van een agressor die massavernietigingswapens in zijn bezit heeft.»

Voor Bert Koenders was het antwoord van De Hoop Scheffer al met al onbevredigend genoeg om dinsdagmiddag direct een spoeddebat aan te vragen. Hij noemt het antwoord van De Hoop Scheffer «verhullend en misleidend». Het tweede deel van de brief, waarin wordt gepoogd uitleg te verschaffen over de wijze waarop de regering omspringt met informatie van inlichtingendiensten, roept volgens Koenders zelfs nog meer vragen op dan er eerder in de Buitenland-commissie van de Kamer waren gerezen. De Hoop Scheffer schrijft dat weliswaar gebruik is gemaakt van een aantal openbare documenten en presentaties, zoals het Britse inlichtingenrapport van september vorig jaar en de Veiligheidsraad-presentatie van de Amerikaanse minister Powell, maar dat deze informatie pas een rol ging spelen voor de oordeelvorming nadat ze door de Nederlandse inlichtingendiensten MIVD en AIVD zorgvuldig was «getoetst». Was daar toen dan al aanleiding voor? En waar bestond die toetsing dan uit?

Nog maar een maand geleden verkondigde minister Kamp van Defensie tamelijk stellig dat hij geen enkele reden had aan de informatie van de Britten en Amerikanen te twijfelen. «De verhalen die nu in omloop zijn over overdrijving neem ik niet voor waar aan. Ik ga ervan uit dat ook bij onze bondgenoten correct is gehandeld», zei hij in NRC Handelsblad. Toen al stond vast dat ten minste de claim dat Saddam «binnen 45 minuten» met chemische wapens kon aanvallen niet hard gemaakt kon worden. SP-kamerlid Van Bommel: «Dat rapport is inmiddels een officieel goedgekeurde miskleun. Daar kun je je niet meer op beroepen.» Koenders: «Die 45 minuten zijn in Nederland weliswaar nooit genoemd, maar er zijn wel degelijk stellige uitspraken gedaan over aard en aanwezigheid van massavernietigingswapens. Iedereen weet dat er met die presentatie van Powell en met het rapport van de Britten nogal wat problemen zijn. Maar wat alle nieuwe feiten voor Nederland betekenen of betekend hebben, heeft de minister nog niet gezegd.» De oppositie wil, desnoods achter gesloten deuren, inzage in de informatie waarop Nederland zich baseerde.

Veel hangt nu af van de positie van D66. Die partij was tegen steun aan de oorlog, maar vormt nu wel een kabinet met CDA en VVD, die beide een Amerikaans-Britse aanval op voorhand ondubbelzinnig onderschreven. Als voormalig voorzitter van de parlementaire enquête commissie die onderzoek deed naar de val van Srebrenica weet D66-buitenlandwoordvoerder Bert Bakker als geen ander wat voor soort inlichtingen de Nederlandse regering in buitenlandse crisissituaties ter beschikking staat: «Rondom Srebrenica bleek dat Nederland een beetje naïef was. We wilden uit principe geen inlichtingen, waardoor informatie circuleerde waarop stond ‹not for Dutch eyes›. Hier hebben we van geleerd. We hebben nu een goede inlichtingenpositie.»

Niettemin vindt ook Bakker opheldering noodzakelijk en hoopt ook hij dat de Kamer na de brief van De Hoop Scheffer ook nog vertrouwelijk inzage krijgt in de Nederlandse inlichtingen. Hoorzittingen behoren wat hem betreft tot de mogelijkheden, maar nu even niet. Op dit moment is een debat over de veiligheid van de Nederlandse deelname aan de stabilisatiemacht in Zuid-Irak veel urgenter. Coalitiepartners CDA en VVD zijn het vooral met dit laatste eens. Er bestaat bij die partijen enige ergernis over de inspanningen van vooral de oppositie om «oude koeien uit de sloot te halen». De woordvoerders Eurlings (CDA) en Wilders (VVD) waren echter niet bereikbaar voor commentaar om dit vooral achter de schermen verkondigde standpunt toe te lichten.

Koenders: «Net als in Engeland zouden voor- en tegenstanders van de oorlog verenigd moeten worden op het punt van de waarheidsvinding. Maar de regeringspartijen nemen genoegen met een minister van Defensie die stelt dat men maar moet vertrouwen dat wat hij zegt klopt, en die cruciale informatie bedekt houdt. Ik heb geen wantrouwen tegen de minister, ik wil gewoon weten hoe het precies zit. In een tijd waarin de missie de alliantie creëert en je dus vanzelfsprekend geen recht meer hebt op gezamenlijke evaluatie van informatie van inlichtingendiensten maar in coalitions of the willing opereert, lijkt me dit tamelijk fundamenteel.»

 

© Peter Vermaas / De Groene Amsterdammer

Advertenties

About this entry