Waarom Coetzee naar Australië vertrok (De Groene Amsterdammer, 11 oktober 2003)

De man die nooit ergens bij hoorde

DOOR Peter Vermaas

JOHANNESBURG, april 2000. In een klein benauwd zaaltje op een van de bovenste etages van een kantoorgebouw in het centrum van de stad begint de Zuid-Afrikaanse mensenrechtencommissie aan haar zoveelste dag van openbare hoorzittingen. De commissie onderzoekt racisme in de media en heeft vrijwel alle hoofdredacteuren van kranten, televisiestations en radiozenders op het matje geroepen. Ook enkele politici mogen om onduidelijke redenen hun ei kwijt. Deze middag krijgt namens het ANC minister Jeff Radebe van Publieke Werken de gelegenheid te vertellen wat zijn partij van de vooroor delen van de Zuid-Afrikaanse media vindt.

Hij trekt meteen van leer. De media zijn doortrokken van «white fear», zegt de minister: angst van witte Zuid-Afrikanen voor zwarte dominantie. Witte journalisten zijn daarom geneigd zwarten af te beelden als barbaren, als corrupte monsters die het land naar de afgrond brengen. Een van de meest aansprekende voorbeelden is volgens de minister John Maxwell Coetzee, die dan net voor de tweede keer de Booker Prize heeft gewonnen. Coetzee is weliswaar geen journalist, maar literatoren hebben volgens minister Radebe dezelfde verantwoordelijkheid als journalisten.

Coetzees meest recente roman Disgrace is een schoolvoorbeeld van white fear, van vrees voor het nieuwe Zuid-Afrika, buldert de minister. In het boek wordt een witte vrouw verkracht door drie mannen, die daarna ook nog haar huis leegroven en haar vaders auto stelen. Daarmee gaat de schrijver ervan uit, meent de minister, dat alle zwarte Zuid-Afrikanen wraak willen nemen voor de apartheidsjaren. En dat de blanke weerloos moet wachten tot de barbaren ook hem komen bezoeken. Het is een disgrace, grapt hij na afloop van de hoorzitting, dat Zuid-Afrika trots is op dit soort schrijvers.

Nu waren er tijdens de onderzoekingen van de commissie al wel meer opmerkelijke dingen gezegd, maar deze ontboezeming deed het zaaltje vol journalisten en andere belangstellenden toch wel even huiveren. Mag Zuid- Afrika nu ook al niet meer trots zijn op de gelauwerde schrijver Coetzee? En wilde de minister de boeken van Coetzee soms verbieden? Ach, het is Radebe maar, reageerden sommige kranten. Maar enkele weken later wierp een onthulling van een van die kranten nieuw licht op de zaak. De verklaring van Radebe was geschreven op de computer van president Thabo Mbeki zelf. Zou de opvolger van regenboogpresident Mandela soms als ghostwriter van zijn minister hebben geopereerd?

De discussie verstomde in de navolgende weken maar laaide weer op toen halverwege 2001 een boekje verscheen van het schrijverscollectief Gragramla. Hierin stond in feite een uitgebreide en meer beargumenteerde versie van Radebes aanklacht tegen Coetzee. Een van de leden van het collectief bleek presidentieel woordvoerder Smuts Ngonyama te zijn — waarmee de vermoedens over Mbeki’s inmenging in de bijdrage van Radebe min of meer bevestigd werden. Hij zou zich er in elk geval in kunnen vinden.

In datzelfde jaar pleitte een groep (deels witte) docenten in de provincie Gauteng ervoor om werk van Nadine Gordimer, de Zuid-Afrikaanse Nobelprijswinnaar van 1991, en ook weer romans van Coetzee van de boekenlijsten van middelbare scholieren te weren. Boeken als July’s People, een aanklacht tegen de apartheid uit 1981, werden andermaal racistisch genoemd en zouden een voor het nieuwe Zuid-Afrika te raciaal gescheiden beeld van de samenleving geven. De onderwijsautoriteiten in Gauteng sloten zich bij de docenten aan, maar tot een boycot kwam het uiteindelijk niet. Na veel discussie werd de provincie overruled door minister van Onderwijs Kader Asmal. Hij bood naderhand bij Gordimer zijn excuses aan. Maar de toon was gezet.

Het is voorstelbaar dat Zuid-Afrika worstelt met zijn verleden en is gebrand op het tijdig signaleren van uitingen van racisme en xenofobie. Maar voor een beredenerend schrijver als Coetzee, die er in Disgrace blijk van geeft weinig op te hebben met de door geslagen politieke correctheid van het nieuwe Zuid-Afrika, moet het lastig zijn te constateren dat niet de ratio, maar andermaal een door de politiek opgelegde moraal in de Zuid-Afrikaanse samenleving tot de enig toegestane waarheid leidt. Volgens mensen die hem zeggen te kennen, zou dit een van de redenen zijn voor Coetzees vertrek uit Zuid-Afrika. Dat hij dan uitgerekend, net als veel andere witte landgenoten, naar Australië moest vertrekken, wordt hem door critici niet in dank afgenomen. Is de wijze waarop dit land met zijn oorspronkelijke inwoners omgaat immers niet gewoon een vorm van apartheid?

Na de toekenning van de Nobelprijs doet de Zuid-Afrikaanse politiek een poging Coetzee alsnog in de armen te sluiten. «Hij mag dan zijn geëmigreerd, wij zullen hem blijven claimen als een van ons», zei oud-president Mandela. En zelfs ANC-spreekstalmeester Smuts Ngonyama deed een persberichtje uitgaan: het ANC feliciteert Coetzee en «hoopt dat de erkenning voor Zuid-Afrikaanse schrijvers als Coetzee en Nadine Gordimer een inspiratie zal zijn voor jonge schrijvers in dit land en op het Afrikaanse continent». Oppositiepartij Democratic Alliance eist ondertussen dat het ANC zich bij Coetzee excuseert voor de aanval uit 2000.

© Peter Vermaas / De Groene Amsterdammer

Advertenties

About this entry