Interview Simon Jelsma: «Ik heb vaak zwaar de pest in»

Vijftig jaar na zijn befaamde Pleinpreken in Den Haag geeft Simon Jelsma, ex-pater en medeoprichter van Novib en de Postcodeloterij, volgende week in Amsterdam opnieuw zijn visie op de wereld.

DOOR Max Arian en Peter Vermaas

Pinksterzaterdag 1954, het Plein in Den Haag. Tot een bescheiden schare mensen spreekt pater Jelsma. «In 1945 werd op dit plein de bevrijding gevierd», roept hij onversterkt vanaf de trappen van het gebouw van de Hoge Raad. «Er was toen een grote eenheid en openheid. Maar nu, negen jaar later, is er opnieuw vervreemding. Iedereen heeft zich weer teruggetrokken achter de eigen gordijntjes.» Jelsma, bekend van zijn radiopraatjes bij de KRO en van zijn columns in Vrij Nederland en De Maasbode, heeft eerder dat jaar met een aantal geestverwanten de «Pleingroep» opgericht: een zuiloverstijgend discussiegezelschap dat poogt tot een nadere analyse van de wereldproblematiek te komen. In zijn eerste openbare «Pleinpreek» roept Jelsma op tot vrede en gerechtigheid. En hij zamelt geld in voor het kinderfonds van de Verenigde Naties. De preek markeert het begin van een Nederlandse derdewereldbeweging.

Vijftig jaar later maakt Simon Jelsma, al lang geen pater meer, zich op voor een nieuwe Pleinpreek. Bij de presentatie van het boek De bewogen beweging: Een halve eeuw mondiale solidariteit (Kit Publishers) van Hans Beerends en Marc Broere, zal de grondvester van de Nederlandse tak van die mondiale beweging op 1 juni opnieuw zijn visie op de wereld geven. Deze keer niet in de openlucht op het Plein, maar in de beslotenheid van de Sonesta-koepel in Amsterdam. Niet alleen de locatie is anders. De wereld is ook nogal veranderd. Niet het minst voor Jelsma zelf. Sprak hij in 1954 als pater-missionaris die leefde van krantenstukjes en radiopraatjes, tegenwoordig zit hij er als een van de oprichters van de Post codeloterij warmpjes bij. Zijn dagelijks werk is naar eigen zeggen niettemin ongewijzigd: hij zamelt geld in en probeert mensen bewust te maken van de ongelijkheid in de wereld.

Het voorzitterschap van de Postcodeloterij heeft hij inmiddels overgedragen aan zijn jongere medeoprichter Boudewijn Poelmann. Zelf is Jelsma (85) nog louter lid van de Raad van Commissarissen en grootaandeelhouder van Novamedia, het bedrijf dat de Postcode loterij exploiteert. Maar nog vrijwel dagelijks verschijnt hij op de burelen aan het Amsterdamse Vondelpark. En wie hem daar spreekt, krijgt een duizelingwekkende hoeveelheid informatie over een lang actief leven over zich heen.

Over alle mogelijke derdewereldcomités die hij mede oprichtte of tot een succes maakte. Over de televisiewereld, waarvoor hij jarenlang werkte. Over politici. Of eigenlijk: vooral over hun ouders. De moeder van oud-minister Eveline Herfkens, die hem op een receptie vertelde dat ze met haar dochtertje in de hand in de jaren vijftig iedere zaterdag naar de Pleinpreken luisterde. «Toch nog goed terechtgekomen, mevrouw», zegt Jelsma dan. En ook Ben Bot, de huidige minister van Buitenlandse Zaken, liep hij laatst tegen het statige lijf. Een broekie, voor Jelsma. «Weet u wel dat ik nog met uw vader heb samen gewerkt bij de totstandkoming van de Novib? Hij heeft een belangrijke rol gespeeld, hoor.»

Het gaat over de radicale jaren zeventig. Of over de katholieke kerk. Nooit trad Jelsma officieel uit als priester, maar hij en zijn in 1994 overleden vrouw zegden begin jaren zeventig wel hun lidmaatschap op. De encycliek waarin de paus schreef dat het celibaat nooit zou worden afgeschaft en vrouwen nooit zouden participeren in de uitoefening van het priesterambt, deed voor hen de kerkdeur dicht. «Als een vrouw wereldwijd in de rooms-katholieke kerk niet mag deelnemen aan het bestuur, wat is dan wel niet het beeld van de vrouw in die wereldkerk?» Een korte stilte, voor het eerst na een lange middag praten. «Eigenlijk zijn het de grootste mensenrechtenschenders in de godsdienstige wereld», zegt hij dan. «Daarbij vergeleken is de SGP maar een klein clubje.»

Terug naar het begin. Naar het protestantse Groningen, waar Simon Jelsma in 1918 in een katholiek nest wordt geboren. Het was «geen fanatiek katholiek gezin», zegt hij daarover. Vader werkt bij de PTT, maar zoon Simon wil priester worden. «Zoveel spektakel, zoveel theater: ik vond het prachtig.» Via de penningmeester van een katholiek fonds in Groningen belandt hij in Tilburg bij de missionarissen van het Heilig Hart. Maar hoe mooi hij de verhalen uit de tropen die hij te horen krijgt ook vindt, missionaris wordt hij niet. Hij blijft liever dichter bij zijn familie. In het seminarie is het vooral de literatuur die hem boeit: de colleges van priester Bomhoff, de vader van Eduard. Jelsma leest Vondel en krijgt van Bomhoff zelfs rollen in het schooltoneel toebedeeld. De priester in opleiding speelt Lucifer.

Verder is het vooral zwaar op het seminarie. «Eigenlijk was het toen gangbare regime een soort kindermishandeling, zij het verpakt in Brabantse gemoedelijkheid», herinnert Jelsma zich. Bijzondere vriendschappen mogen de jongens er niet op nahouden. «Nooit met z’n tweeën, altijd minstens met z’n drieën.» En naar huis schrijven mag slechts eens per week. «Dat soort onnatuurlijke toestanden bracht je aan het twijfelen. Maar ik wilde doorzetten. Het alternatief was immers ook niet aantrekkelijk: een studie afbreken en wat dan? Ik had bovendien intussen in de gaten gekregen dat je niet alleen in de tropische landen iets kon betekenen, maar ook in je eigen omgeving.» Henri de Greeve achterna, de pater die zaterdagavond «met een stem als een klok» het programma Lichtbaken brengt. «Er ging een wereld voor me open. De radio, dat kon natuurlijk óók.»

In 1944 studeert hij af. Een korte periode vervangt hij de ondergedoken pastor van een volksparochie in Groningen-Oost. Hij tart de Duitse spionnen in de kerk met preken over het fundamentele menselijke verlangen naar vrijheid. Na de oorlog belandt hij in Den Haag bij Una Sancta, een katholiek instituut dat poogt contact te leggen met niet-katholieken die geïnteresseerd zouden zijn in het katholicisme. Hij schuift van de Katholieke Volkspartij (KVP) steeds meer op richting de Partij van de Arbeid, discussieert met katholieke sociaal-democraten en publiceert in het blad De Nieuwe Eeuw. «Confessie of godsdienst als basis voor partijvorming was volgens mij in strijd met het beginsel van de scheiding van kerk en staat. Op die basis moet je geen katholieke partij beginnen.» Het felbegeerde radiopraatje op zaterdagavond komt er ook (Wij luiden de zondag in) maar zijn toespraken worden de KRO al gauw te gortig. De aankondiging van een drieluik over «de zwakke priester», «de middelmatige priester» en «de menselijke priester», betekent zijn vertrek. «Dit kunnen de luisteraars niet verwerken», zei het hoofd godsdienstige uitzendingen. «Weet je wát de mensen niet kunnen verwerken? Dat dit doodgezwegen wordt, zei ik hem. Jij en ik weten dat priesters gewoon mensen zijn. Als ik dit niet mag zeggen, dan is het over.»

Vanuit gesprekken tussen vooruitstrevende KVP’ers en katholieke sociaal-democraten ontstaat begin 1954 in een bovenzaaltje van een café aan het Haagse Plein de «Pleingroep». «Ik wilde een groep mensen bijeenbrengen om niet alleen kerkelijk en godsdienstig maar ook sociaal en politiek de zo kort na de oorlog alweer opgetrokken hokjes en grenzen te doorbreken.» Ze zijn met een stuk of tien. Iedere avond nodigen ze andere mensen uit om mee te discussiëren. «Televisie was er nog niet, dus tijd zat.» Dominee Buskes komt langs om over de apartheid in Zuid-Afrika te spreken. Hij discussieert met Fons Hermans, de broer van Toon, die tijdens de oorlog nog even bij Jelsma in het klooster ondergedoken had gezeten.

De Pleingroep krijgt de vraag hoe de katholieke kerk denkt over de waterstofbom. «Een eensluidend antwoord konden we niet geven, dus beloofden we op onderzoek uit te gaan. Stapels jaarrapporten van de Verenigde Naties hebben we doorgeploegd. Vrij scherp ontstaat dan een schrijnend beeld van een totaal verdeelde wereld van bevoorrechten en minder bevoorrechten. De oorlogsdreiging tussen Oost en West houdt verband met de afstand tussen Noord en Zuid. Onderdrukking, honger en uitzichtloosheid in een groot deel van de wereld is een vruchtbare voedingsbodem voor conflicten. We waren hier enorm door getroffen. Deze keiharde gegevens wilden we aan de man brengen.»

Aanvankelijk alleen in het maandelijkse tijdschrift van de Pleingroep, vanaf mei 1954 ook in de buitenlucht. Alle contacten worden ingeschakeld: de bevriende Haagse Volks wagendealer om met drie Kevers op straat de eerste preek aan te kondigen, de katholieke burgemeester Kolfschoten om een officiële permissie te verstrekken. «Hij verbood de geluidsinstallatie, maar als je een stevige keel opzette, dan verstonden ze je wel.» De preken, die op een gegeven moment vele honderden mensen trekken, gaan vooral over de noodzaak van ontwikkelingshulp. «Publieke aandacht voor ontwikkelingshulp was er niet in die tijd. Het was iets van geleerden in studeerkamers. Er stond geen letter over in de programma’s van politieke partijen. Als Pleingroep hebben we niet de ontwikkelingssamenwerking uitgevonden, maar we hebben wel publieke aandacht gegenereerd en een organisatie opgericht die zich ermee bezighield.»

Die organisatie wordt de Novib, de Nederlandse Organisatie voor Internationale Bijstand. Opgericht in 1956, midden in de Koude Oorlog. «Wij dachten: laten we niet doen alsof er maar één conflict in de wereld bestaat. Naast het Oost-West-conflict was er ook nog een heel andere oorlog gaande, een heel andere tegenstelling die ook levens gevaarlijk is voor allen.» Jelsma wordt vice-voorzitter en blijft dertig jaar bestuurslid — later naast zijn betrekking als journalist bij de NOS. Hij overleeft de roerige jaren zeventig waarin radicale jongeren scherpe kritiek op het salonfähige Novib hebben en zijn medeoprichter Van Vlijmen het veld moet ruimen. «We moesten niet te eenzijdig terugvallen op geld inzamelen en noodhulp, vond ik. Maar je kunt ook niet zeggen: jullie hebben misschien honger en morgen ga je dood, toch willen we eerst een internationale politieke structuur opzetten.»

Alle inspanningen voor bewustwording en noodhulp ten spijt, de verdeling is er in vijftig jaar niet veel beter op geworden. «Niet alles is gelukt», zegt Jelsma. «Misschien is het zelfs grotendeels mislukt. Maar ontwikkelings samenwerking is nu wel een issue waar niemand meer omheen kan.» Jan Tinbergen, in 1954 een van de sympathisanten van de Pleingroep, becijferde ooit welk percentage hulp nodig was om binnen 25 jaar een redelijk resultaat te boeken. Jelsma: «Terwijl we nu 0,8 procent van de totale begroting aan ontwikkelingssamenwerking besteden, nemen we met de andere hand vijf keer zo veel terug door tolmuren en landbouwsubsidies. Het zou zo bekeken zuiverder zijn ontwikkelingssamenwerking onder te brengen bij Economische Zaken – een mooi symbool als buitenlandse handel en internationale economie worden samengevoegd.»

In 1983 gaat Jelsma met pensioen bij de NOS en twee jaar later vertrekt hij als bestuurslid bij de Novib. «Vanaf dat moment kwamen er allerlei mensen op me af met de vraag of ik niet aan geld kon komen voor hun nobele organisaties. Bedelend ging ik rond. Totaal frustrerend was dat. En nutteloos. Want hád je net geld om iets goeds te doen, was het anderhalf jaar later weer op en kon je opnieuw beginnen.» Boudewijn Poelmann, het voormalige hoofd fondsenwerving van de Novib, heeft hetzelfde probleem. Samen met hem, Poelmanns Nijenrode-studievriendje Herman de Jong en marketeer Frank Leeman zoekt Jelsma naar een oplossing. «We zochten naar een machine die duurzaam geld maakt, een machine waarbij af en toe nieuwe onderdelen moeten worden toegevoegd en olie ververst moet worden, maar de geldkraan blijft stromen.» Dat werd in 1989 de Postcodeloterij. Aanvankelijk gaan de opbrengsten alleen naar Novib, Natuurmonumenten en VluchtelingenWerk, inmiddels profiteren 45 organisaties die zich bezighouden met ontwikkelingssamenwerking, mensenrechten, vluchtelingen en natuur en milieu. Sinds 1989 is dankzij het succes van de loterij aan deze goede doelen totaal zo’n 1,7 miljard euro gegeven.

Toch is er van tijd tot tijd kritiek. Jelsma en zijn medeoprichters zouden er zelf te veel geld aan hebben overgehouden, de verantwoording zou schimmig verlopen en er zou te veel geld aan de strijkstok blijven hangen. In 1993 wordt, na een onderzoek van het ministerie van Justitie, dat de vergunningen verstrekt, een onafhankelijke Raad van Toezicht ingesteld. Deze raad ziet toe op de dan uit de vier oprichters bestaande directie. «Wij doen het goed en helaas is het gevolg dat we ons overal moeten verontschuldigen», zegt Jelsma met stemverheffing. Gemeten naar aandelen is hij misschien multimiljonair, zoals NRC Handelsblad onlangs schreef: zeventig procent van de aandelen van Novamedia BV, dat de loterijen in eigendom heeft en runt, behoort toe aan de bedrijven van de vier oprichters, dertig procent is in handen van een charitas-BV van televisieproducent Joop van den Ende. Maar er is de laatste jaren geen dividend uitgekeerd en de aandelen worden vooralsnog niet geïncasseerd. «Het meeste geld is weer geïnvesteerd in ontwikkeling. Bij de oprichting hebben we voor de bedrijfsvoering van Novamedia een percentage moeten vaststellen van de bruto omzet. In overleg met Justitie werd het ruim vier procent. Toen we zo snel groeiden, hebben we zelf besloten dat percentage te halveren.»

Dan, mompelend: «En aan mij de taak te bedenken wat er met dat geld gebeurt als ik er niet meer ben. Daar hoeft niemand zich zorgen over te maken.»

U wilde, prekend op het Plein en later als oprichter van organisaties als Novib en XminY, toch dat de inkomens gelijker zouden worden?

Simon Jelsma: «Maar daarom hebben we nu juist die loterij bedacht. Je moet niet alleen naar de deelnemers kijken. De meeste deel nemers worden geen miljonair. Een handjevol misschien, maar dat doet niets af aan de boodschap. Wij geven meer dan ik ooit had kunnen denken aan instellingen die werken aan een betere wereld. Die doen dat veel beter dan ik alleen of iedereen apart zou kunnen doen. Overal is geld voor nodig, hoe ordinair dat ook klinkt. En juist bij het particuliere initiatief is vaak te weinig geld. De wereld waarin wij geloofden wil Amnesty of Greenpeace ook. Want deze wereld is niet de echte, zoals Hans Lodeizen al schreef. Die 45 organisaties verdelen eindeloos meer geld dan de prijs winnaars winnen.»

Hij verwijst naar «de kleine economie van de hoop» van socioloog Bram de Swaan. Een loterij is volgens De Swaan een rebellie tegen de predestinatie. Om te ontsnappen aan het idee dat je van een dubbeltje nooit een kwartje wordt, is er maar één mogelijkheid: het kansspel. «Wie minachting heeft voor mensen die meedoen aan een loterij, zit fout», zegt Jels ma, met de vuist op tafel. «Je moet mensen niet minachten om een droom die ze hebben. Misschien winnen ze nooit. Maar ze doen wél mee. En van ons krijgen ze elk ogenblik te horen dat zestig procent van wat ze betalen voor een lot, ook al winnen ze nooit wat, wordt besteed aan een betere wereld.»

Maar die betere wereld die u in de jaren vijftig voorstond, was toch juist niet op eigenbelang gebaseerd?

«Ik heb altijd geleerd dat je je naaste moet liefhebben als jezelf. Je bent zelf de maatstaf. Als je jezelf niet respecteert en erkent, dan kun je waarschijnlijk ook niets betekenen voor het algemeen belang. Dat is een wijsheid uit het evangelieverhaal die helemaal klopt. Eigen belang bestaat en mag bestaan. Daar is niks mis mee. Als ik mezelf niet respecteerde en erkende dat ik de moeite waard ben, dan zaten we hier niet. Je bent onderdeel van de maatschappij en je moet verantwoordelijkheid dragen door te willen dat de ander het minstens zo goed heeft als jij het hebt — en niet alleen financieel. Dat gaat niet vanzelf en individueel kunnen we dat niet klaar krijgen. Het eigenbelang moet worden geïntegreerd in het algemeen belang. Daar ben ik tientallen jaren mee bezig geweest.»

Is dit een inzicht dat u in de loop van een heel leven hebt ontwikkeld of is dat bij wijze van spreken al in het klooster gekomen?

«Het begon bij de Novib. Hadden we mooie kleurenposters gemaakt om in scholen op te hangen, werd er van bestuurszijde geroepen: moet dat allemaal wel zo mooi en zo duur? Maar als je érgens kwaliteit voor mag eisen, dan is het voor goede doelen. Hoe beter het doel, hoe beter de middelen moeten zijn. Ik heb ook liever iets moois dan iets lelijks in mijn huis. Puur eigenbelang. Wapenfabrieken of bedrijven en organisaties die het milieu vergiftigen, mogen met alle mogelijke toeters en bellen komen, maar bij het goede doel moeten het altijd weer stenciltjes zijn. Juist niet! Het moet zo professioneel mogelijk, er moet kwaliteit worden geëist, medewerkers moeten het onderste uit de kan geven. Het moet goed functioneren, en dat mag wat kosten.»

De tijden zijn nogal veranderd: internationale solidariteit is minder vanzelfsprekend. U lijkt onder die veranderingen niet te lijden.

«Waar moet je aan zien of ik er wel of niet onder lijd? Toen mijn vrouw nog leefde en na mij tijdens het ontbijt de krant las, zei ze: “Simon, heb je wel gezien wat een ellendige toestand er nu toch weer is? Waarom word je niet kwaad? Waarom ontbijt je gewoon door?” Dan zei ik: ja, lieverd, ik ben al tientallen jaren lang heel kwaad. Ik heb vaak zwaar de pest in, maar ik kan toch niet aan het gillen blijven. Je hebt helemaal gelijk, maar ik neem het mee en probeer er wat aan te doen.»

Hans Beerends en Marc Broere

De bewogen beweging: Een halve eeuw mondiale solidariteit

Kit Publishers, 270 blz., € 18,95

© Max Arian en Peter Vermaas / De Groene Amsterdammer

Advertisements

About this entry