Het succes van mobieltjes in Afrika (Onze Wereld, juli/aug 2005)

Mobiele telefonie is big business in Afrika. Dat is niet alleen goed voor de telefoonbedrijven, maar ook voor de Afrikanen. Nieuw onderzoek toont aan dat telefonie bijdraagt aan economische en sociale ontwikkeling. Het in Nederland gevestigde pan-Afrikaanse bedrijf Celtel kan daar van getuigen. ‘We zijn nog maar net begonnen.’

door: Peter Vermaas

‘Even voor de goede orde, ben jij een believer of niet?’, begint Joost Zuidberg, hoofd Afrika van investeringsbank FMO. ‘Of laat ik het anders zeggen: moet je nog overtuigd worden van het belang van mobiele telefonie voor de ontwikkeling van Afrika of kunnen we meteen to the point komen?’ Veel tijd heeft hij niet, maar als de bankier, in hemdsmouwen, nog eens kan vertellen hoezeer Afrikanen profiteren van moderne communicatietechnieken, dan doet hij dat graag en enthousiast. Al jaren investeert FMO in mobiele telefonie, maar pas sinds kort lijkt iedereen door te hebben wat op het Haagse kantoor al die tijd bekend was. ‘Mobiele telefonie brengt ontwikkeling’, zegt Zuidberg. ‘Dat is zo ontzettend obvious.’

Bedrijven die wereldwijd mobieltjes aan de man brengen, beamen dat. Zij zagen in Afrika, de snelst groeiende markt ter wereld, hun omzet de afgelopen jaren rigoureus toenemen. Het aantal mobiele gebruikers groeide alleen al in 2004 met 150 procent. Sinds de introductie in 1987 in Zaïre, zijn er over het hele Afrikaanse continent inmiddels zo’n 80 miljoen draadloze telefoontjes in gebruik. Dat is ruim drie keer zoveel als vaste telefoonlijnen. De klassieke mare dat op Manhattan meer telefoons beschikbaar zijn dan op het hele Afrikaanse continent gaat niet meer op. ‘Tenzij de New Yorkers en de forenzen meer dan twaalf telefoons per persoon zouden hebben’, grapte de Wereldbank in een onlangs verschenen rapport.

Uitschieters naar beneden zijn Ethiopië, Liberia en Guinee-Bissau, met alle drie een schamele 0,1 procent. Uitschieters naar boven zijn Mauritius (37,9 procent), Zuid-Afrika (36,4 procent) en enkele kleine dichtbevolkte landen (waar een mobiel netwerk sneller is uitgerold). Gemiddeld heeft inmiddels 9 procent van de Afrikanen een toestel. In Nederland is de ‘penetratie’, zoals dat heet, weliswaar al 100 procent, maar op een continent dat geplaagd wordt door armoede, honger en instabiliteit is 9 gebruikers per honderd inwoners substantieel te noemen. Bovendien worden de toestellen, vooral op het platteland, vaak met meerdere mensen gedeeld. Handige ondernemers kopen goedkoop grote bundels belminuten in, die ze vervolgens met een beetje winst doorverkopen. In gebieden waar nooit een openbare telefooncel was, kan nu iedereen in voorkomende gevallen contact met de buitenwereld leggen.

Dat is mooi voor de belbedrijven, maar schieten de Afrikanen er ook iets mee op? Ja dus. Alleen was dat nooit serieus onderzocht. Tot dit voorjaar. Op een conferentie verraste het Britse Vodafone, ’s werelds grootste mobiele aanbieder, met een grondig empirisch onderzoek naar de economische en sociale impact van mobiele telefonie op derdewereldlanden. Onder aanvoering van hoogleraar Leonard Waverman van de London Business School, die eerder onderzoek verrichtte naar de economische effecten van vaste telefoonlijnen in het Westen, werd in kaart gebracht welke waarde aan de mobiele explosie in Afrika gehecht moet worden.

En die is niet gering. Na controle op alle mogelijke variabelen die in de onderzochte periode (1996-2003) in de onderzochte landen evengoed aan ontwikkeling hadden kunnen bijdragen, komt Waverman tot de conclusie dat het bruto nationaal product van een ontwikkelingsland bij een toename van tien mobiele aansluitingen per honderd inwoners duurzaam met 0,6 procentpunt toeneemt. Doordat het veel goedkoper is een mobiel dan een vast netwerk aan te leggen, verdienen de investeringen zich relatief snel terug. De directe buitenlandse investeringen nemen in gebieden met mobiel netwerk significant toe.

Waverman cum suis weten hun optimisme in het Vodafone-rapport met cijfers en kleurrijke anekdotes te onderbouwen. Stel je eens voor, schrijven ze, hoe onze eigen samenleving eruit zou zien zonder telefoonverbindingen? Frankrijk had 35 jaar geleden ook nog maar acht (vaste) telefoonlijnen per honderd inwoners. Toen plattelandsdorpen werden aangesloten, betekende dat een enorme impuls voor de boeren: die wisten eindelijk wat de centrale marktprijzen voor hun producten waren en per telefoon konden ze op zoek naar alternatieve aanbieders van, bijvoorbeeld, kunstmest. Nee, dan die bananenboer in Afrika, zegt Joost Zuidberg van FMO. ‘Daar precies gebeurt hetzelfde. Maar ze slaan het tijdperk van vaste telefoons domweg over.’

De vraag was of ik nog overtuigd moest worden. Nou nee, eigenlijk niet.

In 1999 werkte ik als journalist een paar maanden in het Oost-Afrikaanse Uganda. In de veronderstelling dat dit nieuwe inzichten zou opleveren, deed ik voor een Nederlands weekblad vanuit hoofdstad Kampala verslag van het lokale nieuws. In Kampala ben je alleen snel uitgekeken. Wil je een getrouw beeld krijgen van wat er werkelijk in het land gebeurt, zo verzekerden de deskundigen me, dan was een meerdaagse plattelandstrip onontbeerlijk.

Ik toog naar het noordelijke stadje Arua in West-Nile, het district van oud-president Idi Amin. De gewezen dictator had zijn geboortegrond bedeeld met een immense partij metershoge schotelantennes, die bij het verlaten van het vliegveldje direct in het oog sprongen. Allemaal bedoeld voor telefonie, zo verzekerden de Ugandezen me. Maar gebeld werd er al jaren niet meer in Arua. De schotels, nog altijd in een halve hoek naar de hemel gericht, werden gebruikt om wasgoed in te drogen.

Dagelijks vertrokken bussen en vrachtwagens voor de lange tocht naar Kampala, maar de facto was Arua van de buitenwereld afgesneden. Alleen binnen het stadje kon worden gebeld, al was het aantal aansluitingen tamelijk beperkt. Wanneer mijn hoofdredacteur in Amsterdam een boodschap wilde overbrengen, zo instrueerde ik hem voor vetrek, dan kon hij bellen met de directeur van een Nederlandse ontwikkelingsorganisatie in Kampala, die vervolgens radiocontact zou leggen met zijn vertegenwoordiger in Arua om ten slotte het bericht telefonisch te laten overbrengen naar de uitbaatster van mijn hotel. Telefoonnummer: 6.

De hoofdredacteur heeft het niet eens geprobeerd.

Een jaar later keerde ik terug in Uganda. Het eens slaperige Kampala was overgenomen door een roodgele brigade folderende jongens en meisjes van de Zuid-Afrikaanse firma MTN. Mobiele telefonie voor iedereen, was het motto. ‘Pay as you go’: heel Uganda moest aan de pre-paid-telefoons. Overal verrezen standjes en containers waar simcards en beltegoed werden verkocht, billboards met vrolijk bellende Afrikaanse modellen domineerden het straatbeeld. Een hyperactieve Zuid-Afrikaan, type ruwe bolster, verantwoordelijk voor de bouw van de zendmasten, kon tijdens het ontbijtbuffet in ons gemeenschappelijke hotel nog maar over één ding praten: ‘building towers!’. Het netwerk moest zo snel mogelijk worden uitgerold. Uiterlijk 2002, zei hij, zou heel Uganda gedekt zijn.

Mijn redelijk welvarende vrienden waren met hun tijd meegegaan: ze droegen allemaal een glimmende Nokia aan de broekriem en legden me direct uit dat ‘bleeping’ de manier was waarop zij geld uitspaarden. Rijke bellers betaalden voor de wat minder kapitaalkrachtigen: wanneer mijn telefoon één keer overging, dan diende ik onverwijld het nummer van de ‘gemiste oproep’ terug te bellen.

Een paar dagen na aankomst probeerde ik fotograaf Jimmy Adriko, mobiel beller van het eerste uur, op het nummer van het jaar ervoor te bereiken. ‘Weet je waar ik ben?’ toeterde hij door de kraakheldere lijn. ‘Hartje Arua!’ De zieltogende drankfabriek van zijn oom kon dankzij de mobiele telefoon eindelijk tijdig de bestellingen van restaurants en hotels uit Kampala opnemen, vertelde hij. De zaken gingen beter dan ooit.

Uganda, zegt Joost Zuidberg van FMO, heeft voor Afrika een soort pioniersfunctie gehad. ‘MTN leverde daar het eerste bewijs dat er ook in heel erg arme landen bereidheid bestaat om telefoons af te nemen. Volledig pre-paid, natuurlijk. En het toestel moet je er zelf bijkopen. Maar het bewijs was er: in Afrika was meer geld aanwezig dan iedereen had verwacht.’

FMO stapte in 1999 in het toen net één jaar oude bedrijf Celtel (indertijd nog opererend onder de naam MSI) van de Brits-Sudanese zakenman Mo Ibrahim. Vijf maanden geleden werd Celtel voor een slordige 3,4 miljard Amerikaanse dollar verkocht aan het Koeweitse telecombedrijf MTC. Dat bedrag is volgens ingewijden nogal aan de hoge kant, maar de Koeweiti’s, die profiteren van de hoge olieprijs, hadden daar geen moeite mee. Zuidberg: ‘Zij zien wat iedereen ziet: de mobiele penetratie zal in Afrika doorgroeien naar 20 tot 30 procent.’

Ontwikkelingsbanken als FMO streken door de overname gezamenlijk 1 miljard dollar op. ‘Die centen komen uit Koeweit en gaan via de zakken van onze rijke ontwikkelingsbanken weer terug naar Afrika. Ook dat is goed nieuws’, zegt Celtel-topman Marten Pieters (oud-KPN). Zijn onderneming, met meer dan zes miljoen gebruikers in dertien Afrikaanse landen, mag dan in andere handen zijn overgegaan, veel zal er niet veranderen. Er is zelfs afgesproken dat het veel geprezen maatschappelijk verantwoord ondernemingsbeleid mag blijven bestaan. ‘De Koeweiti’s laten het bedrijf bestaan zoals het nu is. Maar hun kapitaal geeft ons toegang tot nieuwe markten’, zegt chief executive officer Pieters. Want in Afrika is Celtel nog lang niet klaar. ‘Het is een hardnekkig misverstand dat Afrikanen geen geld zouden hebben. Dat is echt niet zo. De Coca Cola’s en de Unilevers weten dat: die hebben de hele wereld tot hun werkgebied verklaard. Maar kleinere bedrijven hebben de potentie en de koopkracht van het Afrikaanse continent onderschat. En communicatie is, zeker in Afrika, een eerste levensbehoefte. Mensen blijken bereid daar veel meer aan uit te geven dan hier in het Westen. Het eind is nog lang niet in zicht, we zijn nog maar net begonnen.’

Om fiscale redenen opereert Celtel (‘making life better’) vanuit het Nederlandse Hoofddorp. Dat blijft zo. Ook het management zal niet gewijzigd worden, verzekert Pieters. En het succes van de enige pan-Afrikaanse provider, zónder thuismarkt in Europa, is voor een groot deel aan dat Afrikaanse management te danken, meent hij. ‘Zonder Afrikanen in het management was het veel slechter gegaan. Voor westerse ondernemers is het enorm moeilijk zaken doen in die regio. De politieke achtergronden, de culturele verschillen: voordat je dat door hebt, zijn je Afrikaanse concurrenten alweer een stap verder.’ Vorig jaar nam Celtel voor 250 miljoen dollar een meerderheidsbelang in een grote Keniaanse mobiele aanbieder. Pieters: ‘Om dat te vieren, hadden we een grote partij in Nairobi. Als onze bestuursvoorzitter Mo Ibrahim bij zo’n gelegenheid een praatje houdt over onze visie op ondernemen, dan luisteren al die gasten uit de politiek en het zakenleven veel beter dan wanneer een witneus dat doet. Zoiets maakt honderd keer meer indruk.’

In Uganda waren het MTN en Celtel die de markt openbraken. Met drie sterk concurrerende mobiele aanbieders daalden de prijzen aanzienlijk. Dat is een van de redenen dat FMO geld stak in Celtel. ‘Zonder concurrentie zou het marktbeeld totaal anders zijn. Dan liggen de kosten tien keer hoger’, zegt Joost Zuidberg van FMO. ‘Neem Kameroen. Daar heb je alleen het staatsbedrijf en Orange zit als enige commerciële aanbieder te slapen. Als MTN in zo’n land binnenkomt, dan heb je in een half jaar een half miljoen extra mobiele gebruikers, tegen een lagere prijs.’

Ook in een land als Ethiopië, met alleen een staatstelecombedrijf, is mobiele telefonie vooralsnog slechts beschikbaar voor een politieke en zakelijke elite. Hier bestaan zelfs eindeloze wachtlijsten voor simcards. Zoals dat ‘vroeger’ met vaste telefonie gebruikelijk was, werken de staatsbedrijven nog vaak met rekeningen achteraf. Daardoor kunnen alleen mensen met een postadres zich abonneren. Terwijl het succes van mobiele telefonie in de rest van Afrika juist sterk samenhangt met het vooruitbetalen. Zuidberg: ‘De Afrikaan denkt in cash. Hij heeft zijn geld op zak en budgetteert de hele dag. Pre-paid past in die manier van leven. Zou je krediet verlenen, dan kan het sneller misgaan. Nu heb ik nog geen enkel bericht ontvangen van mensen die in financiële problemen zijn gekomen door overmatig bellen.’ Klachten kwamen vooralsnog slechts van de grootste bierbrouwer van het continent, South African Breweries. Die zagen de Afrikaanse bierconsumptie afnemen door de uitgaven aan mobiele telefonie.

De Haagse vergaderkamer waar Zuidberg het woord voert, is overladen met Afrikaanse souvenirs. ‘Van onze vrienden gekocht, bedoeld om door te verkopen.’ Twintig jaar lang woonde hij zelf in Afrika. ‘Al het zakelijk verkeer ging via de telex. Enorm omslachtig. Nu zie je dat ondernemingen een enorme impuls krijgen als hun vertegenwoordigers elkaar niet meer fysiek hoeven te ontmoeten.’ En met een telefoonnummer doet ook de kleine ondernemer mee aan de wereldeconomie. Zoals de oom van de fotograaf in het afgelegen stadje in Uganda. ‘Of neem die cacaohandelaren in Ivoorkust’, zegt Zuidberg. ‘Jarenlang werden ze genaaid door de opkopers aan de kade. Nu bellen ze gewoon even naar Londen om de actuele cacaoprijs door te krijgen. Dat is geweldig, dat is vooruitgang!’

Toegegeven, zegt Joost Zuidberg: mobiele telefonie kan veel aan ontwikkeling bijdragen, gezondheidszorg, onderwijs of voedselzekerheid krijg je er niet mee. ‘Maar als je een land vooruit wil brengen, dan moet je naar de lange termijn kijken. Het is misschien iets minder aaibaar dan de humanitaire hulp van ontwikkelingsorganisaties, maar ik geloof er heilig in dat economische ontwikkeling op de lange duur verbetering brengt.’

Om over de verbeteringen in het privé-leven van mensen nog maar te zwijgen. Het onderhouden van contacten tussen familieleden die voor werk of studie soms honderden kilometers van elkaar verwijderd zijn, draagt óók bij aan verbetering van levensomstandigheden, melden de onderzoekers van Vodafone in hun rapport. ‘Sociaal kapitaal’, zouden sociologen dat noemen: het participeren in sociale netwerken. Zuidberg: ‘Vergeet nooit: Afrikanen houden enorm van ouwehoeren.’

Advertisements

About this entry