Tijdschrift N+1: Het einde van de hoop, het verbod op het bildecolleté (De Groene Amsterdammer, 16 juni 2006)

Niet alleen in de politiek, ook in de cultuur beleeft Amerika donkere tijden. Het literaire tijdschrift N+1 luidt de noodklok over de populaire cultuur. En bewijst het eigen ongelijk.

DOOR PIETER VAN OS EN PETER VERMAAS

NEW YORK – «Is er misschien ook iets waar jullie wél hoopvol over zijn?» Na een lange avond somberen over de deerniswekkende toestand van de Amerikaanse literatuur als exponent van de crisis in cultuur en politiek in het hele land, wendt achter in de zaal een jonge blonde vrouw zich fris en onverschrokken tot het panel op het podium. De vier door de redactie van het tijdschrift N+1 uitgenodigde auteurs kijken haar licht ontsteld aan. Consternatie en hilariteit. Caleb Crain, schrijver van American Sympathy: Men, Friendship, and Literature in the New Nation: «Mevrouw, we leven niet in hoopvolle tijden.» En hij murmelt nog iets over Oswald Spengler. N+1-redacteur Benjamin Kunkel, auteur van de succesvolle roman Indecision: «Waar zal ik beginnen? Ik ben buitengewoon hoopvol over de ecologie, ons land en de toekomst van de literatuur.»

Het is een dinsdagavond in mei. In The Kitchen, een on-Amerikaans rommelig cultureel centrum diep in Chelsea, wordt de vierde editie van N+1 ten doop gehouden. Thema: American Writing Today. Onder leiding van Mark Greif, die met Ben Kunkel en Keith Gessen aan de wieg van het blad stond, wordt gedebatteerd over «de nutteloosheid van wetenschappelijke literatuurkritiek, geldproblemen, geheugenproblemen en het einde van de roman». De vier onderwerpen worden uitgediept door de inleiders Crain («Vroeger verkocht je tenminste nog boeken louter en alleen omdat je homo was»), Kunkel («Alles is al een keer gezegd»), Vivian Gornick («Sinds de Tweede Wereldoorlog gaat het bergafwaarts») en hoofdredacteur Keith Gessen, auteur van het artikel Geld in het jongste N+1-nummer.

De beste schrijvers hebben het minste geld, concludeert Gessen, en moeten zich daarom verlagen tot het geven van onderwijs aan de universiteit of tot het schrijven van lullige stukjes voor de krant of de New York Review of Books. De slechtste schrijvers verdienen daarentegen het meeste geld. Om zijn stelling te bewijzen schakelt Gessen een laptop aan. Op een groot scherm verschijnt de homepage van Nielsen BookScan, de organisatie die voor uitgevers en boekhandels van dag tot dag de verkoop van in de Verenigde Staten uitgegeven boeken bijhoudt. Nielsen BookScan is de «meest invloedrijke literatuurcriticus van ons land», spot Gessen.

«Kijk hier», zegt hij. Hij tikt de titel Talking to the Enemy van Avner Mandelman in. «Prachtig boek. Ik heb het zeer positief besproken voor New York Magazine. En?» In het scherm verschijnt het resultaat: 380 exemplaren, van coast to coast, in een land met 300 miljoen inwoners. Het staat er echt. Gessen: «En dan Saturday van Ian McEwan? Rotboek, ik háát het, heb er ook een heel nare recensie over geschreven.» Nielsen BookScan is onverbiddelijk: 172.000 exemplaren. «Alleen schrijvers die niet terugdeinzen voor televisieoptredens en beschamende interviews over hun privé-leven verkopen in dit land nog wel eens een boek.» Sterker: Gessen vindt dat schrijvers hun waardigheid hebben verloren sinds er auteursfoto’s op het achterplat van boeken worden afgedrukt. «Dat staat vast.»

De zaal is tot de nok gevuld, hoe naargeestig de toekomstprofetieën ook klinken. Maar echt opmerkelijk is dat niet: aan de Amerikaanse oostkust getuigt een niet te missen groep intellectuelen bijna dagelijks van grote onvrede over niet alleen het politieke, maar ook het culturele klimaat. Op de topuniversiteiten van New England is het bon ton de huidige president, zonder enige tegenspraak, te vergelijken met Adolf Hitler. En in de boekhandel stapelen de anti-Bush-boeken zich op. Ze zijn nagenoeg identiek en werken als porno of de schilderijen van Bob Ross: met weinig middelen wordt telkens dezelfde vrij eenvoudige emotie in gang gezet: woede tegen de president. Het genre is opvallend homogeen.

Ook N+1 lijkt in eerste instantie tot deze categorie te behoren. Zo opent het vierde nummer met een stereotiep zeurverhaal over de opwarming van de aarde. Er staat niets in wat je nog niet kon weten uit gewone dagbladartikelen. Portee van het artikel: de aarde wordt echt warmer en het is schandelijk dat the powers that be er niets aan doen. Geen interessante feiten, maar rammen op hetzelfde aambeeld. De conclusie is samen te vatten met de woorden van de al zes jaar populaire bumpersticker: «If you’re still not enraged, you didn’t pay attention» («Als je nu nog niet boos bent, heb je niet opgelet»).

Maar het tweede artikel, een mooie brief uit Bolivia van Daniel Alarcón, de jonge auteur van het veelgeprezen boek War by Candlelight, toont al direct het belangrijkste verschil met het «Bush-bash-genre». De auteurs van N+1 zijn origineler en schrijven beter, soms adembenemend goed zelfs. Vanuit dezelfde woede vinden ze interessantere invalshoeken om die woede gestalte te geven. Ook richt de boosheid zich, ongewoon voor het genre, vaak op de eigen gelederen: de auteurs zien de maatschappelijke malaise terugkeren in literaire ontwikkelingen en nemen populaire cultuur serieus als uiting en als aanjager van politieke en zelfs sociaal-economische ontwikkelingen. Bovendien, en dat is misschien wel het belangrijkste: de gedachte dat goed schrijven ertoe doet, sneuvelt niet in de opwinding over de politieke ontwikkelingen.

Alarcón getuigt in zijn brief van de spanning bij de inauguratie van voormalig cocaboer Evo Morales, die als president met een semi-socialistische agenda de armoede in Bolivia hoopt te bestrijden. Natuurlijk, Alarcón is Morales goed gezind, maar tegelijk voert zijn optimisme en «hoop» (jazeker, ook in N+1) hem naar donkere overpeinzingen over Morales’ buitenlandse bondgenoot Hugo Chávez. De sterke man van Venezuela blijkt niet alleen de belofte van arm en vaak hongerend Zuid-Amerika, maar ook een egocentrische en eigenlijk verschrikkelijk vervelende man. Na de lompe politieke opvattingen in het eerste artikel over het broeikaseffect belandt de lezer van N+1 dankzij Alarcón in een aangenaam ambivalente wereld met interessante schrijfstijlen en persoonlijke perspectieven.

Het 250 pagina’s tellende blad is weldadig high brow. Niet zozeer in de keuze van onderwerpen – die varieert van de rockband Radiohead, dating, fitnesscultuur en Bush’ economiebeleid tot T.S. Eliot, Isaac Babel en de Armeense diaspora – maar wel in de benadering en de hoge achting van de lezer, van wie, trouw aan een hiërarchisch uitgangspunt, het een en ander wordt geëist. Bovendien zijn schrijvers voor de auteurs van N+1 goed, minder of slecht en deugt een manier van kijken wel of niet: de wereld bestaat niet louter uit smaken of relatieve standpunten, maar er is een intellectuele, literaire en politieke standaard.

In een interview beweerde redacteur Mark Greif dat het blad daardoor wel eens als «conservatief» wordt gezien. Dat is op het eerste gezicht opmerkelijk, want de in politiek opzicht links-liberale stellingnamen spatten van de pagina’s. Maar het zegt wel iets over de omgeving van kosmopolitische, hoogopgeleide New Yorkers waarin Greif zich ophoudt. N+1 is bijkans anticontemporain. The New York Times verwonderde zich in een lange beschouwing over de keuze voor het trage medium, voor het geduld en de lengte van artikelen in N+1. De krant noemde het blad «op een prettige manier arrogant» en verklaarde dat de jonge makers «een generatiestrijd proberen te organiseren tegen luiheid en cynisme om opnieuw de vlag van creatief enthousiasme en intellectuele betrokkenheid te hijsen».

Daarin zijn de mannen van N+1 – want mannen zijn het – niet anders dan de makers van The Believer, een vergelijkbaar blad dat met evenveel enthousiasme en een bijna even kleine oplage wordt uitgegeven aan de westkust. (Een reportage van Kees ’t Hart over The Believer is te vinden op http://www.groene.nl.) Maar The Believer is naar de smaak van Gessen cum suis te optimistisch, te vriendelijk eigenlijk en te blij. «We leven niet in hoopvolle tijden», klonk het in The Kitchen en onder de in ieder nummer terugkerende titel The Intellectual Situation schreven de redacteuren in het eerste nummer van N+1: «Louter geloof is vijandig aan het hele idee van denken.» Dat betekent overigens niet dat de redacteuren denken dat hun op het oog vrij marginale onderneming niets vermag. «Om zoiets als N+1 te beginnen», zei Gessen eens in een interview, «moet je een soort historische noodzaak voelen.»

Geloof je in de betekenis van een blad, dan zijn overtuigingen nodig. Twijfel, ironie of mooischrijverij is niet genoeg. Ter illustratie dienen de 35 pagina’s bekentenisproza van Philip Connors, een voormalige journalist die tegenwoordig diep in New Mexico als boswachter werkt. Zijn bijdrage aan de rubriek Lost Worlds is typerend voor N+1: een meeslepende brief over Connors’ tijd bij de vooral sinds 9/11 opvallend reactionaire kwaliteitskrant The Wall Street Journal. Connors beschrijft hoe hij zijn ziel verkocht, maar ook hoe zijn geweten, diep verscholen onder accommodatiepolitiek en carrièrezucht, standhield. Na zich te hebben teruggetrokken vraagt hij zich af hoe hij al die tijd had kunnen meedoen. Zijn antwoord: omdat hij niet overtuigd genoeg was van zijn eigen opvattingen. En dat is in de praktijk, luidt Connors’ conclusie, hetzelfde als geen overtuigingen hebben.

Het geloof in de zin van het debat is voor de auteurs van N+1 een van die overtuigingen. «Ik heb een verlangen», zei Greif in een interview, «om mensen ervan te overtuigen dat het debatteren over dingen (…) het denken vooruit kan helpen.» Hij schreef het prachtige essay Against Excercise (opgenomen in de bundel Best American Essays 2005), een meesterlijke aanklacht tegen de zielloze mix van sadomasochisme en hedonisme die heerst in de van fitnessruimtes vergeven Amerikaanse samenleving.

Dat in een goed debat geen plaats is voor gezeur lijken de makers van N+1 te beseffen. Marco Roth laat in het scherpe verhaal A Nation Divided: Or, Ass Cleavage zelfs zien dat gezeur de eigen zaak geen goed doet. Zijn artikel is compleet van de pot gerukt, maar tegelijk bloedserieus, futiel en van groot belang, frivool maar accuraat. Zijn onderwerp? Het bildecolleté.

Om kort te gaan: het is onder jonge (en vaak ook veel te oude) vrouwen mode om de broek zo laag te dragen dat een minuscule tangaslip en de bovenkant van de billen zichtbaar zijn. New York Times-columniste Maureen Dowd, de hogepriesteres van links Amerika, schreef daar eens een stukje over. Het verbod op het tonen van dat bildecolleté, zoals voorgesteld door Republikeinen in Virginia, zou volgens haar een bewijs zijn voor de hypocrisie van de Republikeinen. Die verdedigden de oorlog in Afghanistan immers met het argument dat vrouwen dienen te worden bevrijd van beklemmende wetten, maatregelen en mannelijke (voor)oordelen.

Roth beargumenteert dat de aanvallen van Dowd, de «Marie Antoinette van de rechtse revolutie», niet deugen. De columniste is volgens hem «een kamermeid van het Ancien Regime» die de veranderingen om haar heen niet begrijpt en wier aanklachten contraproductief werken. Ze denkt volgens Roth dat ze haar lezers niet meer hoeft te overtuigen en volstaat daarom met «gesneer». «Dezelfde mensen die Bush niet serieus namen in 2001 en maar bleven spotten toen de Democraten in november 2004 verslagen werden, zijn terug om andermaal te lachen om het nieuwe Amerika.» «Doorsnee links denkt nog altijd dat vooruitgang en revolutie synoniemen zijn», schrijft Roth. Stom, zegt hij. Conservatieve opiniemakers zien het beter. Ze zijn een contrarevolutie begonnen die wel degelijk is gericht op het vernietigen van de vruchten (zuur of zoet) van de seksuele revolutie. Maar daarmee keren zij niet terug naar vroeger, maar ontstaat een «nieuwe» tijd, die ze wel «postseculier» noemen. «De revolutionaire energie is in Amerika bij rechts beland», schrijft Roth.

Dat is geen wereldschokkende of nieuwe opvatting. Maar Roth weet wel overtuigend aan te tonen dat er door die nieuwe tijd voor miljoenen Amerikanen een andere werkelijkheid is ontstaan waar niet zonder prijs mee te spotten valt. Hij refereert aan de medewerker van het Witte Huis die trouw aan het revolutionaire elan zich eens denigrerend tegen een journalist liet ontvallen: «Jij leeft in de reality based community.» Dowd en kornuiten lachten om die uitspraak, maar wie bestiert het Witte Huis? En wie de Senaat? En wie het Huis van Afgevaardigden? Het belangrijkste is, schrijft Roth, dat «wij» Democraten «onze strijd wat intelligenter zouden moeten voeren». Roth: «Wat we zouden moeten opgeven is de verdediging van de onverdedigbare sociale uitwassen en de corporate culture in de naam van gelijke rechten en vrije meningsuiting. Onze populaire cultuur is waardeloos en er is geen enkele reden om ook maar een vinger uit te steken voor de verdediging ervan.»

Trendy kleding is bijvoorbeeld belachelijk onbetamelijk en ongepast geworden, vervolgt Roth. In de bibliotheek waar hij zijn artikel schrijft, telt hij tien vrouwen met zichtbaar middenrif en twee met zichtbare slip en billen. De nauwsluitende T-shirts die mannelijke klerenkasten dragen, vindt hij even verfoeilijk. Waarom zou je, zoals de columniste van The New York Times, energie stoppen in de strijd tegen een onuitvoerbare wet tegen bildecolletés? «Mode is een parodie geworden op de verwachtingen uit de jaren zestig. In plaats van bevrijding kregen we bildecolletés. De Republikeinen die daar iets aan proberen te doen, hebben groot gelijk. Tegen de muur, fashionistas!»

In Victoriaans Engeland droeg men jarenlang zwart om de dood van een enkele prins te betreuren, memoreert Roth. «Waarom lopen wij er in deze veel ernstiger en gevaarlijker tijden dan zo vrolijk bij? Als je linkse politiek serieus neemt, dan moet je ieder moment rouwen en gevechtsklaar zijn. Serieus links en serieus rechts hebben hun afkeer van het lichtzinnige met elkaar gemeen.» Hij vraagt van links de moed om de seksueel getinte kleding van vandaag af te wijzen. «De enige wijsheid die tegenwoordig telt is het devies mooi te blijven. (…) We zijn in de huidige hachelijke situatie beland door de onbezonnen verdediging van het geweld van Hollywood, courante pornografie en slechte kunst, en intellectuele overwaardering van deze fenomenen door mensen en instituties die zichzelf met links identificeren. Zo laag als je politieke geluk is, zo laag zakt je broek af.»

Roth is nog geen dertig jaar oud.

Terug naar The Kitchen. Als aan het eind van de avond de discussie verzandt, breit Mark Greif er een eind aan. Hij nodigt het overwegend jonge publiek uit om met de redactie in een café de discussie voort te zetten. Slechts weinig mensen gaan op het aanbod in. Het hoofd gebogen, N+1 onder de arm, verlaten ze de zaal en gaan de New Yorkse nacht in. Het zijn geen hoopvolle tijden. Maar wie N+1 vervolgens thuis ter hand neemt, leest bloemrijke verhalen die stemmen tot vrolijkheid, tot optimisme zelfs. Of de sombermannen van de redactie dat nou leuk vinden of niet.

N+1 is te bestellen via www.nplusonemag.com© PIETER VAN OS EN PETER VERMAAS / De Groene Amsterdammer

Advertenties

About this entry