De nieuwe vrienden van Al Gore (De Groene Amsterdammer 6 oktober 2006)

Terwijl Washington ongelovig toekijkt, probeert een aantal steden en staten het Kyoto-imago van de Verenigde Staten op te poetsen. Is dat nu het ‘Al Gore-effect’?

DOOR Peter Vermaas

NEW YORK – De Metropolitan Ballroom van het Sheraton Manhattan Hotel zit afgeladen vol. Het is de tweede dag van de jaarvergadering van het Clinton Global Initiative en iedereen die er in de wereld ook maar enigszins toe doet, is naar New York gekomen om de goede werken van de oud-president te ondersteunen. Bill Clinton heeft met tientallen presidenten en regeringsleiders en ceo’s van de machtigste bedrijven in de wereld een aardige gastenlijst bij elkaar gesprokkeld.

Op de agenda staan: armoede, gezondheid, klimaatverandering en religieuze en etnische conflicten. Niet helemaal duidelijk is of alle hotshots speciaal vanwege hun warme gevoelens bij deze materie naar New York zijn gekomen of omdat ze graag in het gezelschap verkeren van de charismatische en nog altijd mateloos populaire oud-president. Feit is dat menig multinational een ‘commitment’ doet en toezegt geld of manuren vrij te maken om een van die vier wereldproblemen aan te pakken. Een ander feit is dat alles draait om ex-president Clinton. Iedere keer als hij, ondersteund door aanzwellende filmmuziek, het podium betreedt om vervolgens als een volleerd showmaster de verschillende programmaonderdelen aan elkaar te praten of met veel aplomb een nieuwe financiële toezegging aan te kondigen, gaat een daverend applaus op. Of hij nu mijmert over zijn laatste reizen naar Afrika (‘Toen zei Madiba: “Bill, doe iets”’), zijn in het publiek aanwezige echtgenote begroet (‘Hi senator Clinton, how are you?’) of voor de zoveelste keer onhandig vergeet de microfoon te gebruiken, de oud-president heeft de zaal aan zijn voeten. Maar vandaag, tijdens een plenaire lunchbijeenkomst, heeft hij concurrentie. Als de moderator van het debat over ‘een duurzame toekomst’ de ‘bekende filmster en producent’ Al Gore aankondigt, gaat het dak eraf. Clintons voormalige vice-president mag dan iets dikker zijn geworden en met een bruinverbrand hoofd op het podium verschijnen, hij is met zijn geharnaste kostuum en de motoriek van een tinnen soldaatje verder nauwelijks veranderd. Dit is de man die zes jaar geleden nipt door George W. Bush buiten het Witte Huis werd gehouden. Dit is de man die daarna terneergeslagen met een boswachtersbaard een tijdlang een teruggetrokken bestaan leidde.

De baard is eraf, maar ecologisch is Al Gore nog altijd. En dankzij een roadshow over klimaatverandering en de film An Inconvenient Truth is hij weer helemaal in beeld. De film, hoe saai ook, was in de VS een onverwacht grote hit. In de eerste twee maanden werd uit de kaartverkoop al zo’n twintig miljoen dollar (voor het goede doel) opgehaald. De bezoekcijfers zijn vergelijkbaar met Bowling for Columbine van activist-regisseur Michael Moore.

In de paneldiscussie krijgt Al Gore de kans om opnieuw zijn verhaal over de opwarming van de aarde te houden. Tegenover een staccato formulerende Duitse Siemens-baas, een nogal langdradige Indiase bankgoeroe en de voorgeprogrammeerde baas van computerbedrijf Cisco Systems, steelt hij de show. Net als in zijn film, waarin hij vertelt hoe graag hij als tiener bij zijn ouders op de tabaksboerderij in het zuiden zijn geweer leegschoot, probeert hij gevoelens aan te spreken die, ongeacht politieke kleur, bij brede lagen van de bevolking iets losmaken.

‘Vergeef me mijn chauvinisme’, zegt hij met overslaande stem, ‘maar ik ben ervan overtuigd dat Amerika de enige natie is die de wereld kan leiden. En de wereld heeft dringend leiderschap nodig.’ Want, vervolgt Gore, de crisis waar we op afstevenen ‘kent in de geschiedenis van de mensheid geen precedent’. Amerika is nog altijd het machtigste land, het land met de grootste economie en de meeste rijkdom. Alleen dat land is in staat de wereldwijde klimaatcrisis op te lossen. Al was het maar, sneert Gore, om China af te vangen. ‘Op sommige punten doen de Chinezen het beter dan wij.’

Als de presentator vraagt hoe een en ander vorm moet krijgen, ontvouwt Gore een vlammend betoog over een massabeweging die in opstand moet komen tegen het heersende gezag. Soepel brengt hij de zaal in vervoering als hij uitlegt dat via een toonaangevend milieubeleid de Verenigde Staten weer in de hele wereld geliefd zullen worden en gewone Amerikanen uiteindelijk weer trots op hun land kunnen zijn. Net zoals na de Tweede Wereldoorlog, toen de Amerikaanse belastingbetaler graag een centje bijdroeg om via het Marshall Plan de Europeanen uit de put te helpen. Net zoals de Amerikanen, onbaatzuchtig als ze waren, het initiatief namen om de Verenigde Naties en andere internationale clubs voor vrede en welvaart op te richten. Gore: ‘De huidige tijd, de huidige crisis, geeft ons de kans om weer op te staan, om niet alleen de klimaatcrisis te bezweren, maar en passant ook onze morele autoriteit en onze visie te herwinnen.’

Een staande ovatie voor de voormalige vice-president.

Drie dagen lang hing in het conferentiehotel op Manhattan een vreemd soort opgewonden stemming. Deels misschien omdat voor de show van Clinton een hele stoet aan autoriteiten voorbij trok die tamelijk ver verwijderd stonden van de impopulaire Amerikaanse regering van het moment. ‘Bring back president Clinton’, was het eenvoudige advies van de werkgroep die zich met een oplossing voor het Palestijns-Israëlische conflict bezighield. Deels ook omdat dankzij de geraffineerde Hollywood-presentatie het gevoel bestond dat met de financiële toezeggingen daadwerkelijk iets uitgericht kon worden. De aanwezigen hadden massaal een ‘goed’ gevoel. Met maar liefst 7,6 miljard dollar hadden ze in minder dan een week de wereld gered.

Absoluut hoogtepunt was de toezegging van Sir Richard Branson, ceo van de Virgin Group, om de komende jaren drie miljard te investeren in duurzame energie. Branson las, zei hij na afloop in de wandelgangen, een jaar of vijf geleden het tegendraadse boek The Skeptical Environmentalist van de Deense politicoloog Bjørn Lomborg. ‘Toen ik dat gelezen had, was ik ervan overtuigd dat het allemaal wel meeviel met dat broeikaseffect.’ Al Gore, op bezoek in Londen, bracht in zijn strijd tegen de sceptici Branson op andere gedachten. Branson: ‘Gore zei: “Als jij iets doet, dan gebeurt er ook écht iets. Dat streelde mijn ego.”’ En dus zegde hij geld toe en mocht hij samen met Clinton en Gore op de foto.

Net als ceo Lee Scott van supermarktketen Wal-Mart, het grootste bedrijf ter wereld. Die beloofde toeleveranciers te belonen als ze hun spullen milieuvriendelijker verpakken en door een slimmer transportsysteem hoopte hij op termijn miljoenen liters benzine uit te sparen. De door zoveel Democraten belaagde grootgrutter glunderde naast Clinton. ‘Tuurlijk gebruikt hij ons voor zijn eigen pr’, beaamde een medewerkster van de Clinton Foundation na een cynische vraag van een journalist. Maar ‘is het niet geweldig dat je tegenwoordig aan je imago kunt werken door zo’n geste te maken? Dat bekent dat dit land aan het veranderen is.’

Is dat werkelijk zo? Verandert de Amerikaanse houding ten aanzien van klimaatverandering? Het aantal hybride Toyota’s in het straatbeeld mag dan toenemen en de producenten van de gigantische suv’s draaien grote verliezen, maar dit heeft vooral te maken met de hoge olieprijs. De auto-industrie in Detroit gaat er inmiddels van uit dat de prijs van een gallon (3,8 liter) op de middellange termijn tussen de drie en vier dollar zal blijven schommelen. Twee jaar terug was dat nog zo’n anderhalve dollar. Dat Amerikanen zuinigere auto’s kopen is dus vooral ingegeven door economische overwegingen.

Daarbij zijn Amerikanen, afgezet tegen de inwoners van een aantal andere grote landen, volgens recent opinieonderzoek van het Pew Research Center het minst bezorgd over de opwarming van de aarde. Iets meer dan de helft van de Amerikanen, 53 procent, maakt zich ‘heel erg’ of ‘behoorlijk’ zorgen over klimaatverandering. In China is dat 61 procent van de bevolking, in India 85 procent, in Frankrijk 87 procent en in Japan liefst 93 procent. Toen aan de respondenten een lijstje belangrijke politieke thema’s werd voorgelegd, stond bij zowel Republikeinen als Democraten klimaatverandering bijna onder aan de lijst. Voor de zekerheid stelden de onderzoekers ook de vraag of ze überhaupt geloofden dat er wetenschappelijk bewijs bestaat voor de opwarming van de aarde. Een vrij ruime meerderheid vindt dat het bewijs er is. Het verschil tussen Republikeinen (58 procent) en Democraten (81 procent) is niettemin – zoals op dit moment bij bijna ieder politiek thema – nogal groot.

Tot die 58 procent van de overtuigde Republikeinen behoort in ieder geval niet voorzitter James M. Inhofe van het senaatscomité voor milieu. Die heeft de dreigende opwarming van de aarde ‘het grootste bedrog wat het Amerikaanse volk ooit is aangedaan’ genoemd. Ook Phil Cooney, voormalig chef van het aan het Witte Huis verbonden milieuagentschap Council for Environmental Quality, heeft er weinig twijfel over laten bestaan dat hij, beroepshalve, in het kamp van de sceptici zit. De voormalige olielobbyist Cooney verloor ongeveer een jaar geleden zijn politieke betrekking, toen bleek dat hij had zitten rommelen met wetenschappelijke onderzoeksrapporten. Binnen de kortste keren was hij weer terug bij de olie-industrie: hij werkt nu bij Exxon Mobil.

Toch verandert er wel degelijk iets. Maar zoals zo vaak moet daarvoor in de VS niet gekeken worden naar het op binnenlands gebied altijd terughoudende federale bestuur, als wel naar het bedrijfsleven – dat aan het eigen imago werkt en goedkopere oplossingen zoekt voor olie – en naar de steden en staten, waar de overheid zich actiever durft op te stellen. Op initiatief van de burgemeester van Seattle hebben inmiddels 279 steden een verklaring ondertekend waarin ze het Kyoto-protocol onderschrijven. Op lokaal niveau proberen ze via milieuvriendelijke energievormen, elektrische bussen en actieve voorlichting, de co2-uitstoot terug te brengen. Ook een aantal gouverneurs heeft afspraken gemaakt om de broeikasgassen te verminderen.

Californië, de vijfde economie van de wereld, loopt wat dat betreft het hardst. Altijd al, want in autostad Los Angeles is de laag smog die op mooie dagen boven de stad hangt letterlijk ziekmakend. Carpoolers en chauffeurs met een hybride auto worden daarom al een paar jaar beloond. Maar sinds gouverneur Arnold Schwarzenegger de touwtjes in handen heeft, is luchtvervuiling en klimaatverandering een dagelijks terugkerend politiek thema geworden. ‘Het debat is over’, zei Schwarzenegger een paar maanden geleden in weerwil van zijn politieke vrienden in Washington. ‘We kennen de wetenschap, we kennen de bedreiging en we weten dat het nu tijd is voor actie.’

Is dit nu het ‘Gore-effect’, een begrip dat The New York Times in een ander verband muntte? In de staat waar films en filmsterren heilig zijn, zou je het wel zeggen. Vorige week tekende Schwarzenegger de allerstrengste milieuwetgeving van het land en waarschijnlijk van de hele wereld. In 2020 moeten de broeikasgassen met 25 procent zijn teruggebracht en in 2050 moet Californië tachtig procent onder het niveau van de uitstoot in 1990 zitten. Nadat de staat in 2004 door een aantal verontruste autoproducenten werd aangeklaagd, omdat auto’s aan bepaalde milieustandaarden moeten worden aangepast, heeft Schwarzenegger nu, op zijn beurt, de autoproducenten aangeklaagd, omdat hun producten te veel co2 uitstoten.

Het milieubeleid van Schwarzenegger is in Californië inzet van de tussentijdse verkiezingen. Of het persoonlijke in Californië politiek is, moet op 7 november blijken. De gouverneur zelf rijdt nog altijd in een gigantische Hummer. Wat dat betreft heeft de roadshow van Al Gore nog een lange weg te gaan. .

© Peter Vermaas / De Groene Amsterdammer

Advertisements

About this entry