Darfur? Bush lost het op (De Groene Amsterdammer 27 oktober 2006)

Veel Amerikanen denken dat alleen president Bush het bloedvergieten in de Soedanese provincie Darfur kan stoppen. Maar hoe dan?

DOOR Peter Vermaas

NEW YORK – ‘Hoe zal de geschiedenis over ons oordelen als zij worden vermoord, hij verhongert en zij opnieuw wordt verkracht?’ vraagt een gedragen vrouwenstem, terwijl beelden van creperende kinderen voorbijschieten. Het televisiespotje van de Save Darfur Coalition, een samenraapsel van meer dan honderd maatschappelijke en religieuze organisaties, wordt op een aantal nieuwszenders in de VS tientallen keren per dag vertoond en vraagt om onmiddellijke actie. Niet van Omar H.A. al-Bashir te Khartoum, de Soedanese president die weigert VN-blauwhelmen in zijn land toe te laten en afgelopen week VN-gezant Jan Pronk het land uitzette, maar van George W. Bush te Washington. ‘Om Darfur te redden is een direct ingrijpen van een sterke VN-vredesmacht vereist. En daar is leiderschap van president Bush voor nodig’, besluit de voice-over. ‘President Bush, stop the genocide, now!’

Al eerder liet de coalitie van zich horen. In het weekend voor de jaarvergadering van de Verenigde Naties, half september, kwamen meer dan tienduizend mensen in Central Park bijeen. Getooid met blauwe helmen toonden de demonstranten, onder wie acteur George Clooney, borden met teksten als ‘Not on Our Watch’ Ook in krantenadvertenties wordt vooral de Amerikaanse president aangesproken. ‘Morgen kunnen een paar woorden van één man miljoenen levens redden’, stond er daags voor de VN-vergadering bij een foto van Bush.

Maar wat kán president Bush doen? Dichten de Amerikanen zichzelf niet al te veel macht toe? Al vóór de Algemene Vergadering in september was er in de VN-Veiligheidsraad immers overeenstemming over een vredesmacht voor Darfur die de politiemacht van de Afrikaanse Unie zou moeten aflossen. Maar het regime in Khartoum ziet de blauwhelmen als ‘herkolonisatie’ en weigert ze toe te laten. Het was nota bene VN-vertegenwoordiger Jan Pronk die tijdens zijn laatste optreden in de Veiligheidsraad in New York probeerde enig begrip te kweken voor de positie van de Soedanezen. Hij hekelde na afloop het ‘simplisme’ van de activisten en de ‘megafoondiplomatie’ van vooral de Amerikaanse VN-ambassadeur John Bolton. Pronk vroeg zich af of er binnen de Veiligheidsraad nog wel plaats was voor klassieke diplomatie, voor wheeling and dealing om de Soedanezen binnenboord te houden. Begin oktober pleitte hij er daarom voor om, bij gebrek aan beter, het mandaat van de tamelijk ongeorganiseerde troepen van de Afrikaanse Unie te verlengen. Je kunt een soevereine natie nu eenmaal geen blauwhelmen door de strot duwen.

Het zijn de Amerikanen die afgelopen weekend het felst reageerden op de uitzetting van Pronk uit Soedan. Minister van Buitenlandse Zaken Condoleezza Rice zei met het besluit van Khartoum ‘uitermate ongelukkig’ te zijn. Haar snelle en krachtige veroordeling is gezien de ruime media-aandacht voor Darfur, mede dankzij de Save Darfur Coalition, niet opmerkelijk. Grote delen van de Amerikaanse bevolking zijn doordrongen van de ernst van de situatie in het getroffen Afrikaanse land en in kranten en op televisie lijkt het soms alsof Darfur, naast Irak, de enige brandhaard in de wereld is. In een land met zo weinig buitenland als de VS rijst dan de vraag: waarom doen we daar niets aan?

De ironie wil dat het juist de Amerikaanse regering was die in een vrij vroeg stadium het bloedvergieten in Darfur veroordeeld heeft en het in de Veiligheidsraad aan de orde stelde. Het was toenmalig minister Colin Powell die zelfs met de beladen term ‘genocide’ op de proppen kwam. In 1994, onder president Clinton, mocht die term niet van toepassing verklaard worden op de slachtpartij in Rwanda, waarbij ongeveer een miljoen Tutsi’s en gematigde Hutu’s om het leven kwamen. Het gebruik van die term zou betekenen dat er ingegrepen moest worden. Wat in Rwanda gebeurde, zei minister van Buitenlandse Zaken Warren Christopher destijds, was domweg ‘a problem from hell’. En in de hel hadden Amerikanen niets te zoeken.

Dezelfde Bill Clinton, dezer dagen wereldwijd bejubeld als een exceptioneel soort vredesduif en door Republikeinen in eigen land verguisd omdat hij het moslimterrorisme veronachtzaamd zou hebben, engageerde zich met Soedan door in 1998, na al-Qaeda-aanslagen op de Amerikaanse ambassades in Kenia en Tanzania, met Tomahawk-raketten een farmaceutische fabriek aan flarden te schieten. Het bewijs voor Clintons bewering dat de fabriek chemische wapens produceerde is nooit boven water gekomen. De belangstelling voor Soedan was niettemin gewekt.

Maar onder de huidige president George W. Bush speelt ook nog iets anders. Twee dagen voor de verkiezingen in 2000 ontbeet de presidentskandidaat in Jacksonville (Florida) met dominee Billy Graham. De evangelische televisiepredikant wees hem erop dat in Zuid-Soedan goedwillende christenen onder aanvoering van rebellenleider John Garang in oorlog waren met het streng islamitische regime in het noorden van het land. Christelijke ziekenhuizen werden gebombardeerd, mensen leden honger. Typisch de clash tussen moslims en christenen waarvoor zo lang gewaarschuwd was. Bush moest, als hij inderdaad president werd, iets doen, vond Graham.

Dat deed Bush. Al was het maar, zegt een enkele cynische waarnemer, om niet de hele dag over Irak te hoeven praten. In het bijzijn van Colin Powell werd vorig jaar tussen Noord- en Zuid-Soedan een vredesakkoord gesloten. Dat met de daaruit voortgekomen nieuwe regering in Khartoum niet ook het conflict in Darfur en passant was opgelost, was voor de Amerikanen een tegenvaller. Ook het in mei dit jaar in de Nigeriaanse hoofdstad Abuja beklonken vredesakkoord voor Darfur loste niets op.

Sinds de eerste waarschuwingen van de gesneefde minister van Buitenlandse Zaken hebben Amerikaanse media onophoudelijk bericht over de ‘genocide’ in Soedan. Weliswaar wordt nog immer gemeld dat zielige christenen het slachtoffer van de bloeddorstige moslims uit Khartoum zijn, terwijl in het veel westelijker gelegen Darfur iedereen moslim is. Maar toch: Amerika is gemobiliseerd.

‘Wat ik precies van Bush verwacht?’ Woordvoerder Jeff Kovick van de Save Darfur Coalition vindt het maar een moeilijke vraag. Het is zeker niet zo dat zijn coalitie meedoet aan het op dit moment vrij courante Bush-bashen. Dat kan ook niet met een zo divers gezelschap sympathisanten. Naast Amnesty International en de International Crisis Group maken veel conservatieve joodse organisaties en dito evangelische denominaties deel uit van het wonderlijke consortium van maatschappelijke organisaties. ‘President Bush is een wereldleider’, zegt Kovick door de telefoon. ‘Hij en zijn collega-wereldleiders moeten ervoor zorgen dat Darfur topprioriteit op de VN-agenda wordt.’ Maar Darfur is toch al prioriteit? De Veiligheidsraad wil zelfs een vredesmissie! Kovick: ‘Ja, onze president en de VN hebben veel gedaan, maar het blijft bij woorden. Nu moeten daden volgen.’

Een aantal organisaties in de Save Darfur Coalition was in 2003 fel gekant tegen de unilaterale Amerikaans-Britse aanval op de soevereine natie Irak. Wil de coalitie nu dat Bush het soevereine Soedan binnenvalt? Aan de andere kant van de lijn is het even stil. ‘Eh, nee, dat lijkt me niet. Maar wij Amerikanen kunnen zo’n situatie toch niet toestaan?’ Misschien, zegt Kovick, is de nadruk op Bush in de campagne meer symbolisch. Je moet hem zien als leider van de wereld. ‘Waarschijnlijk hebben de Soedanezen er meer aan als de Chinezen en de Russen (met oliebelangen in Soedan – pv) iets zouden doen.’

Advertisements

About this entry