De lange weg naar Washington (Knack, 14 februari 2007)

Vroeger dan ooit warmt Amerika zich op voor de presidentsverkiezingen van 2008. Intussen zijn er bijna twintig mogelijke kandidaten. Maar aan iedere gegadigde kleeft wel een bezwaar. Wie wordt de opvolger van George W. Bush? De tussenstand.

Door Peter Vermaas

Het was nogal koud, afgelopen zaterdag in het stoffige stadje Springfield. Toch waren zeker 15.000 mensen naar het plein voor het oude bestuursgebouw van de staat Illinois gekomen om getuige te zijn van de formele kandidaatstelling van dé superster van de Amerikaanse politiek: senator Barack Obama (1961).

Pas in 2004 werd de Democraat Obama verkozen tot senator in Washington, maar al sinds zijn toespraak op de Democratische conventie in Boston in datzelfde jaar zien veel topstukken van de traditioneel verdeelde Democratische Partij hem als verzoener, redder in nood en vooral als potentieel presidentskandidaat. Sinds de publicatie van zijn tweede boek The Audacity of Hope – Thoughts on Reclaiming the American Dream, eind vorig jaar, is de politieke carrière van de voormalige jongerenwerker in Chicago in een stroomversnelling gekomen. Bij signeersessies wordt steevast minutenlang geapplaudisseerd en gejoeld. Al in 1995 publiceerde Obama een lijvige autobiografie, waarin hij uitlegde hoe het is om op te groeien als kind van een Keniaanse vader en een Amerikaanse moeder uit Kansas. Voor zijn nieuwe boek verscheen hij in zowat elke talkshow die de Amerikaanse televisie te bieden heeft. Hij stond zelfs op de cover van de chique mannenglossy Men’s Vogue. Bij de foto’s van de legendarische Annie Leibovitz in het binnenwerk – Obama met zijn kinderen aan de cornflakes – werd de senator en passant vergeleken met grootheden als Abraham Lincoln en Martin Luther King. ‘Ik wil deel worden van de grootse geschiedenis van dit land’, erkende Obama bij een signeersessie in New York. ‘Waarom is onze politiek toch niet net zo fatsoenlijk als de Amerikaanse bevolking?’

De vergelijking met Lincoln beviel Obama blijkbaar wel. Op het plein in Springfield, waar hij afgelopen zaterdag zijn kandidatuur bekendmaakte, begon Abraham Lincoln, de negentiende-eeuwse president die de slavernij afschafte, destijds zijn lange weg naar Washington. ‘Het was hier in Springfield’, zei Obama, ‘dat ik herinnerd werd aan het werkelijke fatsoen van het Amerikaanse volk. Hier kwam ik tot het besef dat we dankzij dit fatsoen kunnen bouwen aan een hoopvoller Amerika.’

Van zijn relatieve gebrek aan ervaring maakte Obama tijdens zijn toespraak zijn sterke punt. Hij pleitte voor een nieuwe politiek, met nieuwe gezichten, met mensen die niet verstrikt zitten in oude netwerken. Obama moet het hebben van ronkende retoriek en welsprekendheid. Want als het op zijn standpunten aankomt, dan zal hij een vette kluif hebben aan de Amerikaanse kiezer. Die is namelijk veel conservatiever dan Obama zelf. In de voorbije 40 jaar leverde de Democratische Partij slechts twee keer een president (Jimmy Carter en Bill Clinton), en beide keren waren het kandidaten uit het conservatieve zuiden van het land met een vrij gematigde agenda. Obama mag dan al een devoot christen zijn, dat verhult voor de gemiddelde Amerikaan niet dat hij in de Senaat een van de meest progressieve afgevaardigden is. Hij is voor het recht op abortus, voor het homohuwelijk en voor maatregelen om het wapenbezit te beperken. Dat zijn in veel delen van de Verenigde Staten geen populaire standpunten.

Maar Obama put hoop uit de laatste Congresverkiezingen, die uitliepen op een door de Democraten gewonnen ‘referendum over Irak’. Obama pleit voor terugtrekking van de Amerikaanse troepen uit Irak vanaf maart 2008. En hij is, zegt hij, van bij het begin tegen de inval geweest. Hij heeft makkelijk praten. In maart 2003, toen de oorlog begon, was hij nog geen lid van de Senaat en hoefde hij dus niet – in tegenstelling tot zijn rivalen Hillary Rodham Clinton (1947) en John Edwards (1953) – over Bush’ plannen te stemmen. Clinton en Edwards stemden vóór. Als de presidentsverkiezingen in november 2008 opnieuw vooral over Irak zouden gaan, dan heeft Obama bij de Amerikaanse kiezer, die oorlogsmoe is, een streepje voor.

Maar voorlopig houden twee andere vragen de Amerikaanse pers bezig: is het land al toe aan een zwarte president, en krijgt Obama geen problemen met zijn naam?

Die laatste vraag lijkt futieler dan de eerste, maar het debat is er niet minder vinnig om. Per ongeluk heeft CNN in een jaaroverzicht de grotten in Pakistan in beeld gebracht met als begeleidende tekst ‘Waar is Obama?’. Maar Obama’s tweede naam, Hoessein, stelt de Amerikanen voor nog meer raadsels: was dat niet onze aartsvijand?

OM TER ZWARTST

Of Amerika toe is aan een zwarte president, moet blijken. In de peilingen staat Obama nog ongeveer 10 procent achter op Hillary Clinton. Maar het is net zo goed de vraag of Amerika al toe is aan een vrouw als president. Clinton heeft, net als haar man Bill destijds, veel steun van invloedrijke zwarte leiders zoals dominee Al Sharpton. De meerderheid van de zwarten zegt vooralsnog de voorkeur te geven aan Clinton. Obama is ‘niet zwart genoeg’, terwijl Hillary’s echtgenoot Bill destijds door sommige zwarte activisten liefkozend ‘de eerste zwarte president van Amerika’ werd genoemd.

Dat Obama’s huidskleur sowieso een issue zal blijven, bleek uit de rel die zijn Democratische Senaatscollega Joe Biden (1942) op de dag van diens eigen kandidaatstelling veroorzaakte door Obama ‘de eerste doorsnee-Afro-Amerikaan’ te noemen die ‘helder formuleert’, ‘slim’ en ‘schoon’ is en er ook nog leuk uitziet. Dat was, zei Biden later, als compliment bedoeld. Maar door zijn vermeend racistische opmerking lijkt Bidens eigen gooi naar het presidentschap – net als in 1988, toen hij beschuldigd werd van plagiaat – op voorhand mislukt. ‘Volgens de jongste presidentiële peilingen is senator Joe Biden gestegen van 0 procent naar 1 procent’, grapte televisiepresentator Jay Leno vorige week. ‘Je moet in de peilingen nooit te vroeg pieken. En dat is het probleem: hij piekt nu al.’

Een serieuzere concurrent van Obama is Hillary Clinton. Zij heeft ruim 30 jaar politieke ervaring en kent het Witte Huis als voormalige first lady vanbinnen en vanbuiten. ‘ I’m in and I’m in to win’, zei ze zelfverzekerd bij haar kandidaatstelling. Met grote zorgvuldigheid heeft Clinton sinds haar verkiezing tot senator in 2000 namens de staat New York aan een nieuw imago gebouwd. Net als Obama is ook zij eigenlijk te links voor de meerderheid van de Amerikaanse kiezers. Maar de laatste zes jaar was ze steeds vaker in het gezelschap te zien van conservatieve predikanten, en steunde ze initiatieven van politici die meer geworteld zijn in het Amerikaanse heartland. Volgens ingewijden zou ze in haar campagneteam, dat voor een groot deel uit ex-medewerkers van haar man bestaat, zelfs een ‘religieus adviseur’ hebben aangesteld om op adequate wijze de nog altijd groeiende en bij verkiezingen belangrijke groep van de evangelicals te kunnen aanspreken.

Bij de jongste Congresverkiezingen, in november 2006, bleek dat het nieuwe imago werkte: Clinton werd met een veel grotere meerderheid dan zes jaar eerder herkozen. Dat ze in 2003 pro Bush’ oorlog in Irak had gestemd, had haar blijkbaar niet geschaad. Maar met de aanzwellende kritiek op het Irakbeleid krijgt ze daar de laatste weken steeds meer vragen over. Al was het maar omdat ze – anders dan Barack Obama en John Edwards – probeert om een genuanceerd standpunt uit te dragen. Haar goedkeurig in 2003 was weliswaar een ‘vergissing’, maar een al te snelle troepenterugtrekking zou volgens haar schadelijk zijn.

Presidentskandidaat John Edwards (1953), die geen senator meer is, vindt op zijn beurt dat Democraten in het Congres, zoals Hillary Clinton, te weinig stelling innemen. Hij eist de directe terugtrekking van 40.000 Amerikaanse soldaten. Maar de zelfbenoemde working class hero John Edwards, die in 2004 onder John Kerry kandidaat was voor het vicepresidentschap, lijkt net als een handvol andere geïnteresseerden vooralsnog weinig kans te maken op de Democratische nominatie.

VERDACHTE CHIHUAHUA

Om als Democratische Partij uiteindelijk een geschikte keuze te maken, is het natuurlijk van belang te weten wie aan Republikeinse zijde de tegenstander wordt. Maar ook daar is de strijd om de opvolging van George W. Bush nog lang niet beslist.

De belangrijkste drie kandidaten zijn op dit moment senator John McCain (1936) uit Arizona, oud-burgemeester Rudy Giuliani (1944) van New York, en ex-gouverneur Mitt Romney (1947) van Massachusetts. Maar alle drie de kandidaten hebben zo hun bezwaren.

McCain heeft an sich de beste papieren. Hij is een van de geliefdste senatoren, vooral omdat hij zich van niemand iets lijkt aan te trekken. Als Vietnamveteraan die in gevangenschap gemarteld werd, heeft hij het president Bush na het martelschandaal in de Abu Ghraibgevangenis in Irak vaak moeilijk gemaakt. Maar uiteindelijk koos hij op doorslaggevende momenten altijd de zijde van de president. CNN-ankerman Larry King vroeg hem of dat niet schadelijk is voor zijn eigen presidentiële ambities. De stoïcijnse McCain reageerde zoals de Amerikanen dat van hem gewend zijn: ‘Ik verlies liever een campagne dan een oorlog.’ Maar McCain is nogal oud. Hij zou bij aanvang van een mogelijke presidentiële ambtstermijn op 1 januari 2009 liefst 72 zijn. Zo oud was destijds zelfs Ronald Reagan niet. Giuliani en Romney hebben op dat vlak meer toekomst.

Maar Giuliani heeft bij de Republikeinen hetzelfde probleem als Obama en Clinton bij de Democraten hebben: hij is te liberaal, te progressief. Vooral de sociaalconservatieven, de conservatieve protestanten, hebben er moeite mee dat de katholiek Giuliani al aan zijn derde huwelijk bezig is, voor het recht op abortus is, als burgemeester van New York keihard optrad tegen wapenbezit en ooit in één huis woonde met twee homoseksuelen en een chihuahua. Voor veel evangelicals is zijn kandidatuur voorlopig onaanvaardbaar. Daarom probeert ook Giuliani zich een ander imago aan te meten. Maar toen de conservatieve televisiezender Fox News hem vorige week op de rooster legde, nam hij niet echt afstand van zijn standpunten. Hij ‘haat’ abortus, zei hij, maar hij vindt dat vrouwen het recht hebben om die keuze te maken. Met de voortslepende oorlog tegen het terrorisme vertrouwt Giuliani erop dat Amerikanen hem blijven zien als de burgemeester die op 11 september 2001 op de brandende puinhopen van het World Trade Center het moreel hoog hield. Maar een voorproefje van zijn ideeën over internationaal veiligheidsbeleid was weinig hoopgevend. Met een ernstige blik vertelde Giuliani onlangs dat hij de onrust in Bagdad op dezelfde manier zou willen bestrijden als de criminaliteit in New York aan het begin van de jaren negentig.

Is Mitt Romney dan het antwoord? Hij is nogal charismatisch en als gouverneur van de vrij liberale staat Massachusetts streed hij tegen het homohuwelijk. Bovendien is hij diepgelovig. Alleen heeft hij het verkeerde geloof gekozen: Romney is mormoon. En die kerk wordt door veel Amerikanen, en zeker door de sociaalconservatieven, gewantrouwd. Een ruime meerderheid vindt dat Amerika nog lang niet toe is aan een mormoonse president. Dan zijn een vrouw of een zwarte president nog waarschijnlijker.

GORE AFGEKOELD

Nooit eerder waren er zo lang voor de verkiezingen zoveel kandidaten. Nooit eerder ook was het deelnemersveld zo divers. Pas op 14 januari 2008 wordt in de staat Iowa de eerste voorverkiezing gehouden. Tot die tijd wordt het voor de Democraten en de Republikeinen een lange en harde race. En de mogelijkheid dat vlak voor de eerste caucuses en primaries een relatieve outsider uit de hoge hoed wordt getoverd, is bij beide partijen reëel.

De Republikeinen houden wat dat betreft rekening met voormalig Speaker of the House en partij-ideoloog Newt Gingrich (1943) en met de huidige burgemeester van New York, de steenrijke zakenman Michael Bloomberg (1942).

Veel Democraten hopen stilletjes op Al Gore (1948). De zojuist voor de Nobelprijs voor de Vrede én voor een Oscar genomineerde voormalige vicepresident heeft echter bij herhaling laten weten dat hij niet beschikbaar is. Maar her en der in het land zijn al auto’s gesignaleerd met de bumpersticker ‘Al Gore 2008’. Laurie David, producent van Gores film An Inconvenient Truth over de opwarming van de aarde, ziet een samenwerking tussen de ervaren babyboomer Gore uit de zuidelijke staat Tennessee en de onervaren maar charismatische Obama (als vicepresident) wel zitten. ‘Ik heb hem (Gore, nvdr) dat vaak gezegd’, zei ze vorige week in The New York Times. ‘Maar hij doet altijd alsof zijn mobiele telefoon niet werkt.’

Advertenties

About this entry