Filantropie op z’n Amerikaans (OnzeWereld, juni 2007)

Terwijl de Amerikaanse regering zich niet houdt aan de internationale afspraken over ontwikkelingshulp, geven rijke Amerikanen als Bill Gates jaarlijks miljarden dollars weg voor projecten in de Derde Wereld. Nergens is de filantropische traditie zo groot als in de Verenigde Staten. Peter Vermaas zocht uit waarom de geefcultuur juist in de Amerikaanse cultuur is ingebed. ‘Filantropie is een antwoord op een van de grootste behoeften van het kapitalisme: dynamiek.’

DOOR PETER VERMAAS

  

Drie snelle dagen in een hotel in New York en de miljarden vlogen je om de oren. Voormalig president Bill Clinton had namens zijn stichting wat uitnodigingen verstuurd aan oude vrienden in de politiek, het bedrijfsleven en bij niet-gouvernementele organisaties. Een flink aantal workshops, lunches en plenaire sessies later had hij voor zijn goede doelen 7,3 miljard dollar bij elkaar gesprokkeld.

Trotse chief executive officers van bedrijven als Procter & Gamble, Virgin en Wal-Mart mochten met de nog altijd immens populaire Clinton op de foto en kondigden aan welk megabedrag ze in welk project van welke hulpclub zouden steken. Op de eerste dag van de bijeenkomst verscheen zelfs first lady en charitaskoningin Laura Bush aan de zijde van de voormalige president. Zij beloofde, overigens namens de Amerikaanse regering, 16 miljoen dollar te investeren in een waterpompproject in Afrika. ‘Give her a big hand!’ glimlachte Clinton.

Het was, half september, een feel good-bijeenkomst zoals alleen Amerikanen die kunnen organiseren. Aan het eind van de jaarlijkse conferentie van het Clinton Global Initiative moest iedere deelnemer het gevoel hebben gehad dat in een weekje alle wereldproblemen konden worden opgelost. Dat kon natuurlijk niet echt, maar met 7 miljard dollar (5,5 miljard euro) kun je een hoop doen. Ter vergelijking: de Nederlandse regering reserveerde in 2006 totaal 4,2 miljard euro voor ontwikkelingssamenwerking.

Bill Clinton is lang niet de enige die zich in de Verenigde Staten bezighoudt met goede werken. Ieder zichzelf respecterend bedrijf, iedere multimiljonair, iedere film- of televisiester heeft zijn eigen stichting. Wie in zijn leven wel veel geld heeft verdiend, maar niet filantropisch actief is, wordt scheef aangekeken.

Zo kent Amerika al jaren de foundations van bijvoorbeeld Carnegie, Ford of Rockefeller – tycoons aan het begin van de twintigste eeuw. Die captains of industry gingen destijds verrassend genoeg voor advies naar Europa, weet hoogleraar Theo Schuijt, initiator van het jaarlijkse onderzoek Geven in Nederland. ‘We denken nu dat het uitsluitend Amerikaanse toestanden zijn, maar de nouveau riche van eind negentiende, begin twintigste eeuw trok naar Europa om te zien hoe daar sociale en culturele instellingen met filantropisch geld betaald werden.’

Duur verdiende dollars

Door de economische boom in de jaren negentig, is het aantal filantropen en het voor goede doelen beschikbare privégeld enorm toegenomen. Waren het aan het eind van de industriële revolutie vooral olieboeren (Rockefeller) of staalmagnaten (Carnegie) die hun duur verdiende dollars teruginvesteerden in de samenleving, nu levert vooral de wereld van (nieuwe) media veel weldoeners op. Terwijl de oude generatie filantropen via studiebeurzen, musea, of ziekenhuizen vooral geld investeerde in de Amerikaanse samenleving, kijkt de nieuwe generatie, door het wereldwijde web en de aanslagen op 11 september 2001, verder dan de landsgrenzen.

Neem bijvoorbeeld de David & Lucille Packard Foundation, bekend van de Hewlett-Packard (HP) printers en computers. Of de Gordon and Betty Moore Foundation van de oprichter van Intel, de microprocessorfabrikant. Of de United Nations Foundation van voormalig CNN-chef Ted Turner. Zelfs de oprichters van internetzoekmachine Google, een bedrijf dat pas negen jaar bestaat, zijn inmiddels onder de naam Google.org een goededoelentak begonnen.

Maar de meest voorname filantroop die de jaren negentig heeft voortgebracht is natuurlijk Microsoft-baas Bill Gates. De rijkste persoon op aarde stichtte met 30 miljard particulier vermogen de Bill & Melinda Gates Foundation en heeft vorig jaar een vergelijkbaar bedrag van verzekeringsmagnaat Warren Buffet toegezegd gekregen. De Bill & Melinda Gates Foundation is hiermee de rijkste particuliere ontwikkelingsclub in de wereld en werkt met een indrukwekkend professionele organisatie in meer dan honderd landen aan onder ander verbetering van de gezondheidszorg. Met megagiften wordt bovendien malaria- en aidsonderzoek aan westerse universiteiten gefinancierd. Totaal werd in 2005 1,55 miljard dollar weggezet.

Waarom doet Bill Gates dat? En kunnen we in Europa iets van de Amerikaanse filantropische traditie leren?

Amerikaanse geefcultuur

Claire Gaudiani van New York University schreef onlangs het boek The Greater Good; How Philanthropy Drives the American Economy and Can Save Capitalism. Ze noemt ‘geven’, zowel charitas als filantropie, ‘een van de belangrijkste elementen van de Amerikaanse cultuur’. Al in 1630, betoogt ze, toen in Boston een groep Britse kolonisten aan land ging, werden de fundamenten voor de Amerikaanse geefcultuur gelegd. In een beroemd geworden preek verordonneerde kolonistenleider John Winthrop dat zijn groep ‘als één man’ beschouwd zou moeten worden. Iedereen die ‘superfluities’ (overtollig geld) zou hebben, moest dat ter beschikking stellen aan de mensen die het minder breed hadden. Direct in 1636 bij de oprichting van Harvard University, de oudste universiteit van Boston, werd daar gevolg aan gegeven door studiebeurzen ter beschikking te stellen voor kinderen van minder vermogende ouders.

‘De rijke kolonisten concludeerden dat veel geld werd verspild als talentvolle kinderen niet naar de universiteit zouden kunnen’, zegt Gaudiani, ‘daarom zorgden ze voor die scholarships. Dat was puur eigenbelang, want ze wisten dat iedereen nodig was om de economie te laten floreren.’ Volgens Gaudiani is filantropie een onlosmakelijk onderdeel van het Amerikaanse economische systeem. Het kapitalisme is gebaat bij actieve filantropen. ‘Het lijkt een tegenstelling: kapitalisme probeert rijkdom te concentreren, terwijl filantropie rijkdom juist wil verdelen’, zegt ze. ‘Maar filantropie is een antwoord op een van de grootste behoeften van het kapitalisme: dynamiek. Een markt heeft veel activiteit nodig en weinig restricties. Hoe meer mensen hun dromen kunnen waarmaken, hoe actiever een economie kan zijn. Het gaat om de groei van menselijk kapitaal.’

Dat geldt natuurlijk in het bijzonder voor alle investeringen die filantropen in Amerika zelf deden. Ook Bill Gates heeft in eigen land projecten om armere mensen beter onderwijs of betere gezondheidszorg te verstrekken. Maar, zoals gezegd, het merendeel van zijn activiteiten ligt in de Derde Wereld. Daar lijkt op het eerste gezicht voor Gates geen enkel persoonlijk economisch belang mee gemoeid. Ook profiteert het Amerikaanse kapitalisme niet meer van Gates’ miljarden dollars. Maar Gaudiani is volhardend. ‘Wat Bill Gates doet is geen charitas, het is echt filantropie’, zegt ze. ‘Hij geeft dus niet zomaar wat geld weg, maar hij investeert zijn geld. En eens krijgt hij het terug. Want misschien dat door zijn programma’s in Afrika opeens iemand de kans krijgt wetenschapper te worden en op een dag een belangrijk medicijn voor de kinderen van Bill Gates ontwikkelt. In een geglobaliseerde wereld maakt het niet veel verschil of je in de VS of in de wereldgemeenschap investeert.’

Nederlandse rijkaards

Onder de allerrijkste Amerikanen neemt vrijgevigheid nog altijd toe, terwijl in Nederland miljardairs als John de Mol of Charlene de Carvalho-Heineken op hun geld blijven zitten. ‘John de Mol is gewoon een schatrijke patjakker’, lacht hoogleraar Schuijt. Typerend blijft de oproep die Prins Bernhard kort voor zijn overlijden deed aan de 500 rijkste Nederlanders om een project van zijn Wereldnatuurfonds te ondersteunen. Totaal haalde hij een schamele 34 duizend euro op. Schuyt: ‘Nederlandse rijkaards denken: wij hebben via onze belastingbetalingen al zoveel voor de wereld gedaan, laat de overheid dit soort dingen maar regelen.’

In Amerika is ‘een soort groepsdruk ontstaan om goed te doen’, zegt professsor Stanley Katz van Princeton University. ‘Als iemand als Gates miljarden reserveert voor goede doelen, dan zien miljardairs die ongeveer in dezelfde vermogenscategorie zitten, dat ze niet kunnen achterblijven.’

Maar niet alleen miljonairs en miljardairs geven veel. Meer dan 80 procent van de gewone Amerikanen draagt ieder jaar (fiscaal aftrekbaar) bij aan een goed doel. ‘Generositeit’, meent Claire Gaudiani daarom, ‘is een basiswaarde van onze natie.’

Daarmee zit ze op één lijn met het Hudson Instituut, een ietwat conservatieve maar officieel ‘onpartijdige’ denktank die vorig jaar de zogenoemde Global Philanthropy Index publiceerde. Daarin werd becijferd dat alle Amerikanen bij elkaar in 2004 voor ontwikkelingssamenwerking maar liefst 71 miljard privaat geld weggaven. Dat is bijna zes keer zoveel als de officiële overheidshulp van de VS. Maar, merkt onderzoeker David Rootman van het Center for Global Development in Washington op: dat bedrag is inclusief 47 miljard aan overboekingen die migranten naar hun thuisland doen. De resterende 24 miljard bestaat uit geld van de genoemde foundations, liefdadigheid van grote bedrijven (soms discutabel: grote farmaceutische bedrijven die overjarige medicijnen in Afrika droppen), privé- en vrijwilligersorganisaties, onderwijsinstellingen en religieuze organisaties.

Het cijfer van 71 miljard is dus nogal geflatteerd. Maar het wordt door het Hudson Instituut gebruikt om de relatief geringe Amerikaanse overheidsontwikkelingshulp te billijken. Terwijl de rijke landen in de jaren zeventig hebben afgesproken 0,7 procent van het Bruto Nationaal Inkomen (BNI) aan ontwikkelingssamenwerking te besteden, lappen de VS die afspraak aan hun laars. Maximaal 0,22 procent van het inkomen van het rijkste land op aarde gaat volgens recente gegevens van het Development Assistance Committee (DAC) naar ontwikkelingshulp. Overigens is de hulp sinds 2001, toen George W. Bush president werd, wel bijna verdubbeld. Onder de Democraat Clinton waren de Amerikanen nog krenteriger. Maar, haast David Rootman zich te zeggen: een groot deel van de Amerikaanse hulp gaat naar Israël, Irak en Afghanistan en is ook nog eens aan alle mogelijke ongunstige of religieuze voorwaarden gebonden.

Minder gul

Veel Amerikafans slikten de politiek gemotiveerde rekensommetjes van het Hudson Instituut niettemin voor zoete koek. Toen het rapport verscheen, wijdde voormalig Journaal-correspondent Charles Groenhuijsen daar meteen zijn wekelijkse internetcolumn aan. ‘Onvoorstelbaar’, jubelde Groenhuijsen over de 71 miljard. Met het rapport is volgens hem ‘die akelige mythe van de krenterige Amerikanen dus uit de wereld’.

Dat laatste klopt op zich: Europeanen zijn privé aanzienlijk minder gul dan Amerikanen. Er zijn niet veel gegevens beschikbaar, maar volgens de meest gunstige schattingen van het DAC geven Europeanen privé per jaar maximaal vier miljard dollar weg voor ontwikkelingshulp. Maar in Europa wordt ontwikkelingssamenwerking dan ook in de eerste plaats als een overheidstaak gezien. De Scandinavische landen en Nederland houden zich keurig aan de 0,7 procentsafspraak en veel andere Europese landen geven percentueel ook aanzienlijk meer dan de Amerikanen.

Dat is niet zo vreemd, zegt Peter Frumkin van de Universiteit van Texas. In Europa is de staat nu eenmaal wat belangrijker dan in de VS. ‘Europeanen hebben de neiging eerst naar de overheid te kijken, terwijl Amerikanen daar echt pas op het allerlaatste moment een beroep op zouden doen.’ Amerikanen betalen in verhouding ook weinig belasting. Frumkin: ‘Mensen in Amerika willen iets terug doen voor de samenleving waaraan ze zoveel te danken hebben. Dankzij je universiteitsopleiding ben je uiteindelijk miljonair geworden: dan doe je dus op zeker moment een grote gift aan je oude universiteit. Identificatie is een belangrijke drijfveer.’

Het Hudson Institute, en andere organisaties die vol enthousiasme het evangelie van de filantropie prediken, zien een kleine staat als het enig werkbare bestuursmodel. Ze maken er geen geheim van dat ze regeringen en inspanningen van regeringen wantrouwen. Het Hudson maakt in het filantropierapport gehakt van de Millenniumdoelstellingen van de Verenigde Naties. Om de Millenniumdoelen te halen, zouden alle rijke landen immers aan die 0,7 procent moeten voldoen. Maar, vindt het Hudson, dat is een ‘ouderwetse manier van denken’: het percentage is immers een nogal willekeurig gekozen politiek compromis dat bovendien geen enkele rekening houdt met private giften. Amerika, betoogt het instituut nog maar eens, is door die private giften veel royaler dan het lijkt en hoeft zich dus niet gebonden te voelen aan de internationale afspraak.

Met instemming citeert het instituut de beroemde ontwikkelingseconoom Bill Easterly, die regelmatig heeft verzucht dat er bijna twintig jaar na de val van de Berlijnse muur nog maar één beleidsterrein is waar centrale planning nog immer gezien wordt als dé manier om welvaart te vergroten: internationale ontwikkelingssamenwerking. De Millenniumdoelen zijn volgens Easterly verkeerd omdat ze uitgaan van de effectiviteit van buitenlandse hulp, terwijl die niet bewezen is. Er is de laatste vijftig jaar 2,3 biljoen dollar aan ontwikkelingshulp gegeven en toch is Afrika nog steeds arm, is de ietwat simplistische redenering.

Maar wie zegt dat private hulp wél werkt? David Rootman stelt jaarlijks de Commitment to Development Index samen. Aan de hand van een aantal criteria laat hij in deze ranglijst zien welk van de rijke landen het ‘beste’, meest coherente, ontwikkelingsbeleid heeft. Nederland voerde vorig jaar de lijst aan en de VS bungelden, zoals gebruikelijk, ergens onderaan. Rootman erkende vorig jaar in een interview in onzeWereld dat de index in de eerste plaats bedoeld is als lobbymiddel om de eigen regering ervan te overtuigen meer officiële ontwikkelingshulp te geven. Zijn organisatie staat dus lijnrecht tegenover de filantropen van het Hudson Instituut. ‘Hoewel volgens mij geen algemeen onderzoek is gedaan, durf ik te beweren dat regeringshulp over het algemeen beter en vooral veel diverser is dan private hulp’, zegt Rootman. ‘Misschien kennen charitas en filantropie wel betere accountability, maar regeringen doen over het algemeen niet alleen projecten, maar zitten bijvoorbeeld ook in begrotingssteun of schuldenverlichting. Met dat soort middelen kun je in ontwikkelingslanden ook beleidsveranderingen teweeg brengen.’ Om een lang verhaal kort te maken: de vergelijking die het Hudson Instituut maakt tussen de bedragen voor overheidshulp van Europa en private ontwikkelingshulp uit de VS is ‘vals’.

Kan Europa iets van Amerika leren? Rootman hoeft niet lang na te denken. ‘Nee. Maak je geen zorgen: Nederland loopt op het gebied van ontwikkelingssamenwerking echt ver vooruit. Mensen als Bill Gates doen prachtig werk, maar filantropie maakt bilaterale ontwikkelingshulp niet overbodig.’

© onzeWereld, juni 2007

Advertisements

About this entry