Gods democratische principes (De Groene Amsterdammer, 22 juni 2007)

De Democraten profileren zich als devote christenen om de waardenkloof met de Republikeinse Partij te overbruggen. Maar wil de kiezer wel een president die zich in het Witte Huis laat leiden door God?

DOOR Peter Vermaas

HARTFORD, Connecticut – Alleen dankzij God kon Hillary Clinton de overspeligheid van haar echtgenoot te boven komen. Dat openbaarde de voormalig first lady vorige week tijdens een televisie-uitzending waarin zij en haar Democratische collega-presidentskandidaten John Edwards en Barack Obama over hun religieuze antecedenten aan de tand werden gevoeld. ‘Op die momenten dat je op de proef wordt gesteld, is het absoluut essentieel dat je in je geloof geworteld bent’, zei ze. ‘Ik ben zeer dankbaar dat ik het geloof had dat me de moed en de kracht gaf om te doen waarvan ik dacht dat het goed was, ongeacht wat de wereld dacht.’

Bijkans iedere ontboezeming van Clinton werd met een ovatie onthaald. Of ze nu vertelde dat ze tot God bad ‘om hulp bij het afvallen’, uitlegde dat ze weliswaar voor het recht op abortus is maar het aantal abortussen liefst tot nul gereduceerd ziet, of dat ze uit de doeken deed dat het onvermijdelijk is om als bewoner van het Witte Huis regelmatig in gebed te gaan: de dertienhonderd door cnn en het gematigd christelijke tijdschrift Sojourners bijeengebrachte toehoorders vonden het allemaal prachtig.

En dat was niet minder bij de gesprekjes met John Edwards en Barack Obama. Voormalig senator Edwards van North Carolina legde uit hoe bidden hem heeft geholpen de dood van zijn zoon te verwerken en dat hij vindt dat geloof in evolutie en ‘geloof in Jezus’, zoals hij het noemt, uitstekend te verenigen zijn. Hij benadrukte dat er verschil is tussen zijn ‘eigen geloofssysteem en wat de verantwoordelijkheden van de president van de Verenigde Staten zijn’ en dat de ‘identificatie’ van de huidige president ‘met een specifiek geloof’ een probleem is. En senator Obama uit Illinois vertelde met bulderende altaarstem hoe hij de ontsporingen in de Iraakse gevangenis Abu Ghraib en in het gevangenenkamp Guantánamo Bay onmogelijk kan rijmen met Gods lessen en waarom hij zich van nature zo verbonden voelt met het uitverkoren volk van Israël.

Zonder Democratische principes te verloochenen, spraken de drie leidende Democraten een hele avond over religie. Dat was een unicum. Niet eerder werd door niet-Republikeinen zo openhartig over het geloof uitgewijd. ‘Ik denk dat de Democraten echt hebben geleerd hun geloof te gebruiken en erover te praten’, concludeerde cnn-interviewer Soledad O’Brien na afloop in een obligate analyse. Voor Clinton en Edwards (beiden Methodist) en Obama (United Church of Christ) was het tenslotte niet de eerste keer dit jaar dat ze zich van hun meest devote kant lieten zien.

Samenvattend, zei O’Brien, hebben de kijkers ‘veel geleerd over de waarden die de mensen die ons land willen leiden hebben gevormd. Het is cruciaal, niet alleen voor de dertienhonderd mensen die hier vanavond in de zaal zaten, maar ik denk ook voor de gemiddelde Amerikaanse kiezer dat ze stemmen op een menselijk wezen. En het zijn de waarden die bepalen hoe zo’n menselijk wezen vervolgens besluiten gaat nemen als president van de Verenigde Staten.’

Dat hebben de Amerikanen de laatste jaren geweten. Onder George W. Bush – die ooit Jezus Christus zijn ‘favoriete politieke filosoof’ noemde – is God de hoofdbewoner van het Witte Huis geworden. Bij verschillende gelegenheden heeft de president zich laten ontvallen dat hij zich door zijn geloof laat leiden bij het nemen van beleidsbeslissingen. Zijn presidentskandidatuur alleen al, zei hij in 2000, was ingegeven door een ‘verzoek van God’. ‘Ik heb het gevoel dat God wil dat ik president moet worden. Ik kan het niet uitleggen, maar ik voel dat mijn land me nodig gaat hebben’, zei hij.

Na de aanslagen op 11 september 2001, die door veel strenge christenen gezien werden als opmaat tot het einde der tijden, sprak God opnieuw tot zijn vazal op aarde en meldde dat Afghanistan aangevallen diende te worden: ‘God zei me: “George, ga tegen die terroristen vechten in Afghanistan.” En dat deed ik. Daarna vertelde God me: “George, beëindig de tirannie in Irak…” En ik deed dat.’

In het vorig jaar verschenen boek American Theocracy stelt de voormalige Republikeinse strateeg Kevin Phillips dat het Witte Huis onder Bush de in het eerste amendement op de Amerikaanse grondwet officieel beklonken scheiding tussen kerk en staat overboord heeft gegooid. Hoewel ook de politieke beweging voor afschaffing van de slavernij diep in de kerken geworteld was en aan het begin van de twintigste eeuw de drooglegging een gevolg was van protestantse inmenging in het politieke bedrijf, is het volgens Phillips nog niet zo erg geweest als onder president Bush. De VS zijn in zijn optiek zelf een theocratie geworden.

Nu heeft Phillips het in zijn boek vooral over het buitenlands beleid: populaire doempreken over de antichrist die Bush beïnvloed zouden hebben bij zijn oorlog tegen ‘het kwaad’, al dan niet gerepresenteerd door niet- of andersgelovigen. Maar wekelijks overleggen Bush en zijn directe medewerkers met de voorlieden van de evangelicals, de nog immer groeiende groep van overwegend conservatieve en overwegend witte protestanten, ook over binnenlands beleid. Vaak worden deze evangelicals in Nederlandse vertaling ‘evangelisten’ genoemd. Dat klopt niet helemaal: een evangelist is de schrijver van een evangelie of de voorganger in een evangelische bijeenkomst. Voor eenvoudige gelovigen die lid zijn van een van de duizenden evangelische kerken in de VS is het wellicht beter het Nederlandse novum ‘evangeliër’ te gebruiken.

Op voorspraak van onder anderen de inmiddels wegens homoseksuele uitspattingen in ongenade gevallen dominee Ted Haggard, voorheen chef van de National Association of Evangelicals, heeft Bush benoemingen van conservatieve rechters doorgezet. Van meer bescheiden omvang is een hele reeks belastingvoordeeltjes, deels landelijk en deels per staat, voor religieuze gemeenschappen en allerhande voorgangers daarvan.

Maar de evangeliërs hebben hun aandachtsgebied verbreed. Maakten ze zich bij hun politieke betrokkenheid tot voor kort vooral druk om abortus, euthanasie, homorechten en het gebruik van embryo’s voor stamcelonderzoek, tegenwoordig weten ze ook massa’s mensen warm te krijgen voor armoedebestrijding en het milieu, twee politiek wat minder omstreden thema’s.

Dat Bush de laatste paar maanden meer coöperatief is op het terrein van klimaatverandering is vooral aan zijn evangelische leidsmannen te danken. Verschillende meer gematigde kerken die het Armageddon niet vandaag of morgen zien plaatsvinden, doordrongen de president van iets wat het cda in Nederland ‘rentmeesterschap’ zou noemen. Dat hij dit jaar in zijn State of the Union voor het eerst aandacht besteedde aan de opwarming van de aarde was een succesje voor het zogenoemde Evangelical Climate Initiative. En de dertig miljard dollar die Bush vorige maand reserveerde voor aidsbestrijding in Afrika heeft evengoed evangelische wortels. Gevolg is wel dat dit geld, net als bij eerdere Amerikaanse hulp, vooral wordt uitgegeven aan kerkelijk goedgekeurde projecten als onthouding en family values in plaats van aan condooms of aidsremmers.

Zelfs voor de van religie doordrongen Verenigde Staten is de uitgesproken band tussen geloof en politiek tijdens Bush’ presidentschap uniek. Maar al langer was duidelijk dat de ‘waardenstemmers’, de conservatieve christenen, verenigd in de protestants-christelijke evangelische kerken, zich nog vooral thuis voelden bij de Republikeinse Partij.

Dat werden de Democraten in het bijzonder gewaar na de verloren presidentsverkiezingen van 2004. Hun kandidaat John Kerry, een vrome katholiek uit New England die niet gewend was zo openlijk over zijn geloofsbeleving te spreken, werd op alle fronten verslagen door de stevige basis van witte heteroseksuele protestanten der Republikeinen. Uit kiezersonderzoek bleek dat de Republikeinse Partij door de kiezer steeds meer gezien werd als een religieuze partij, terwijl de Democratische Partij te boek stond als vooral een seculiere club of een club voor mensen die zich minder met de kerk afficheren. 79 procent van de evangeliërs en 52 procent van de katholieken die gingen stemmen, koos in 2004 voor Bush.

Mensen die aangaven wekelijks (of nog vaker) naar de kerk te gaan, stemmen in toenemende mate op de Republikeinen, terwijl mensen die minder dan wekelijks tot helemaal nooit een kerk bezoeken vaker op de Democraten zijn gaan stemmen. Deze ‘God Gap’, de door religie bepaalde scheidslijn tussen Republikeinen en Democraten, zou door de Democraten bij volgende verkiezingen gedicht moeten worden. En daarvoor zijn alle registers opengetrokken. Hillary Clinton benoemde zelfs een speciale evangelische adviseur in haar campagneteam om de banden met deze nog immer groeiende groep gelovigen nauwer aan te halen.

Vroeger, zegt hoogleraar Mark Silk van het lommerrijk gelegen Trinity College in Hartford, Connecticut, was het allemaal vrij duidelijk: witte protestanten uit het zuiden van de Verenigde Staten stemden op de Democraten en witte protestanten uit het noorden stemden op de Republikeinen. Katholieken stemden meestal Democratisch. Dat was een gevolg van de burgeroorlog. Mark Silk: ‘Terecht zagen ze in het zuiden de Republikeinse Partij als een partij die tegen de slavernij gekant was. Het was de partij van Abraham Lincoln, de partij van de agressie uit het noorden. Allicht dat ze in het zuiden op de oudere Democratische Partij stemden.’ Na de Tweede Wereldoorlog begon een lang proces waarin alles op z’n kop werd gezet: ‘Toen Harry Truman de Democratische Partij de partij van de burgerrechten noemde, haakte het zuiden af. Vanaf dat moment begonnen meer witte zuiderlingen bij nationale verkiezingen te stemmen op niet-Democraten.’

Maar de echte omwenteling kwam in de jaren zeventig. Ontevreden over de veranderingen in de roaring sixties en in het bijzonder de legalisering van abortus door het Amerikaanse hooggerechtshof in 1973, stippelde de onlangs overleden oerconservatieve televisiedominee Jerry Falwell een strategie uit om de Republikeinen te verzekeren van de steun van de ‘waardenstemmers’, de conservatieve christenen die zich bij het uitbrengen van hun stem laten leiden door ethische vraagstukken. Met zijn ‘Moral Majority’ wilde Falwell zo veel mogelijk gelijkgestemde Republikeinen, met onberispelijke morele uitgangspunten, gekozen krijgen. Dit resulteerde in 1980 uiteindelijk in de verkiezing van Ronald Reagan voor het presidentschap. Silk: ‘Sindsdien zijn de witte protestanten, in het bijzonder die in het zuiden, de meest loyale Republikeinen geworden.’ Maar de God Gap gaat over meer dan alleen evangeliërs en hun politieke voorkeur. ‘Het is een soort Kulturkampf geworden’, zegt Silk: ‘De rol van religie is politiek en maatschappelijk een scheidslijn geworden.’

Dat is vrij nieuw. Silk: ‘De neiging van meer religieuze mensen om op de ene partij te stemmen en van minder religieuze mensen om op de andere partij te stemmen, ongeacht hun voorkeuren, doet me denken aan Europa aan het begin van de twintigste eeuw: een religieuze tegenover een niet-religieuze partij.’ Met andere woorden: de antithese van Abraham Kuyper, de negentiende-eeuwse antirevolutionaire voorman die in de Nederlandse politiek een structurele tweedeling tussen confessionelen en paganisten (liberalen/socialisten) zag.

En omdat christenen, in alle soorten en smaken, in de VS met ongeveer 75 procent ruim in de meerderheid zijn en het aantal evangeliërs nog altijd gestaag groeit, is de partij die de religieuzen trekt voorlopig in theorie in het voordeel. Niet minder dan zeventig procent van de bevolking ziet volgens onderzoek van het Pew Research Center de VS als ‘een christelijke natie’.

Bij de congresverkiezingen van 2002 en 2004 stemde grofweg zestig procent van de mensen die zeggen wekelijks ter kerke te gaan op de Republikeinse Partij. Dat was voor de Democraten reden om alle zeilen bij te zetten en bij de laatste congresverkiezingen, afgelopen november, met een flink aantal meer religieus georiënteerde kandidaten op de proppen te komen. Vooral in traditioneel Republikeinse kiesdistricten werden conservatieve ijzervreters gelanceerd. Die strategie bleek te werken. Voor een groot deel door de onvrede over de Irak-oorlog, maar deels ook door de inzet van bijvoorbeeld een paar pro-life-kandidaten, heeft de Democratische Partij sinds november de meerderheid in zowel de Senaat als het Huis van Afgevaardigden. De God Gap werd volgens Pew en volgens onderzoeker Mark Silk bij de verkiezingen van 2006 alleen maar groter.

Door openhartiger over religie te praten – iets waarmee Hillary Clinton naar eigen zeggen grote moeite heeft – proberen de Democraten een deel van de gematigde evangeliërs terug te pakken van de Republikeinen. Zoals de cnn-presentatrice zei: de Democraten hebben hun lesje wel geleerd.

Maar volgens Silk proberen de Democraten de vorige oorlog uit te vechten. Aan Republikeinse kant is de behoefte aan een met zijn religie te koop lopende kandidaat als George W. Bush immers helemaal niet zo groot meer. De twee koplopers in de race om de presidentskandidatuur zijn de pro-choice-katholiek Rudy Giuliani en de baptist John McCain. Beiden staan niet bepaald bekend als streng gelovig. In de debatten met Republikeinen wordt niet zozeer gevraagd of de kandidaten wel gelovig zijn, maar of ze in hun geloof niet te ver gaan. Tijdens een van de debatten moesten de kandidaten die niet in evolutie geloofden hun hand opsteken. De koplopers Giuliani, McCain en de mormoon Romney hielden zich alledrie stil. Drie minder bekende kandidaten, onder wie senator Sam Brownback uit Kansas, staken wél hun hand op.

‘Kandidaten voor het presidentschap hebben religie nodig, maar zeker niet te veel’, zegt Mark Silk. ‘Het enthousiasme voor te religieus georiënteerde politiek is door de laatste jaren onder Bush afgezwakt. Ik vroeg een medewerker van de Republikeinse Partij laatst waarom er in de voorrondes niet meer steun is voor iemand als Brownback. Toen kreeg ik als antwoord dat de partij denkt dat iemand met een dergelijk conservatieve agenda bij de uiteindelijke verkiezingen niet kan winnen. Daarmee gaven ze toe dat er een probleem is. Er moet een kandidaat komen die op het gebied van religie niet is zoals George Bush was.’

Maar alleen al het praten over religie is een tegemoetkoming aan de (overwegend zuidelijke) evangeliërs: ‘Voor die mensen is het geloof meer dan een privé-kwestie. Het is een identiteit, waarover ze graag willen spreken. Een kandidaat moet zich daarover uitlaten.’ Maar Silk vindt de aandacht voor religie bij de Democraten nu wat doorgeslagen: ‘Mensen vergeten dat ook Bill Clinton heel recent twee keer gekozen is. En Clinton had geen probleem met religie. Hij had er problemen mee om zich te gedragen, maar religieuze mensen zondigen nu eenmaal: religie is bedoeld voor mensen die zondigen. De breed levende overtuiging dat de Democraten al lang een probleem hebben dat ze nog lang zullen houden, lijkt mij wat overdreven.’

© Peter Vermaas / De Groene Amsterdammer

Advertenties

About this entry