Wie een versterking… (De Gids, juli 2007)

15. Wie een versterking zonder reden hardnekkig blijft verdedigen wordt gestraft

De inwoners van het machtigste land ter wereld gaan gebukt onder wonderlijke angsten. Vooral de angst dat er een macht bestaat die groter, sterker en verwoestender is dan de Amerikaanse, leidt tot onnavolgbare fobieën. Bijdrage voor de bundeling essays met titels van Michel de Montaigne in het zomernummer (2007) van De Gids.

DOOR Peter Vermaas

De inwoners van het machtigste land ter wereld gaan gebukt onder wonderlijke angsten. Vooral de angst dat er een macht bestaat die groter, sterker en verwoestender is dan de Amerikaanse, leidt tot onnavolgbare fobieën.

Die hogere macht komt in een monopolaire wereld vaak in rare gedaantes. Zo maken kranten met enige regelmaat melding van door complotdenkers gesignaleerde zwarte helikopters die een door de Verenigde Naties geleide nieuwe wereldorde zouden aankondigen. De zwarte helikopters, zo luidt het verhaal, brengen zwarte mannen die erop uit zijn de Amerikaanse hegemonie te breken.

Ook duiken van tijd tot tijd berichten op over mensen die niet onder narcose durven omdat ze dan een ‘VN-biochip’ geïmplanteerd zouden krijgen. Na zo’n behandeling zouden ze voor altijd luisteren naar de secretaris-generaal van de VN. En daarvan weten we inmiddels dat het niemand minder is dan de antichrist. Althans: in de mateloze populaire christelijke thrillers in de serie Left Behind, geschreven door de nogal fundamentalistische veelschrijvers Tim LaHaye en Jerry B. Jenkins, blijkt een als VN-baas aangestelde Roemeense politicus de duivel in hoogsteigen persoon. Als hij de macht krijgt, is de wereld overgeleverd aan hel en verdoemenis. Tientallen miljoenen mensen hebben deze boeken in Amerika in huis en zien iedere neiging tot multilaterale samenwerking als het nakende Armageddon.

De wereldmacht, die krijg je niet cadeau. Zoveel is duidelijk.

Ridicuul, natuurlijk. Een machtsovername van de aan handen en voeten gebonden VN is iets al te surreëel. Maar het besef dat de huidige machtspositie van de Verenigde Staten niet voor de eeuwigheid behouden kan blijven (en voor sommige mensen dan ook direct maar het ‘einde der tijden’ aanbreekt) volhardt. Veel conservatieve en politiek geëngageerde protestants-christelijke kerken spelen daar handig op in: óf je bent voor God en Amerika óf je bent voor de duivelse wereldregering van de Verenigde Naties. Dan is de keuze snel gemaakt. Alleen Amerika, ‘One Nation Under God’, kan en mag de wereld leiden. En dat is sinds het einde van de Koude Oorlog gebeurd. Met het wegvallen van de Sovjet-Unie is de VS onbedreigd de enige supermacht en sinds 1990 was het Amerikaanse economisch en democratisch model het beste exportproduct dat Democratische en Republikeinse presidenten te bieden hadden.

Maar is de angst dat het bouwwerk op een dag ineenzijgt terecht?

Menig denker heeft de Pax Americana al vele malen failliet verklaard. Recent nog de socioloog Immanuel Wallerstein. Die schreef dat Amerikaans mismanagement in Vietnam, op de Balkan en in het Midden-Oosten én de aanslagen op 11 september 2001 ‘de beperkingen van de Amerikaanse suprematie hebben blootgelegd’. Hij vreesde, in 2002 in zijn essay ‘The Eagle has Crash Landed’, voor de gevolgen van de toen op handen zijnde oorlog in Irak voor de positie van Amerika – ‘een land dat gevaarlijk op drift is te midden van een wereldwijde chaos die het niet kan bedwingen’.

En de Britse historicus Paul Kennedy schreef in 1987 in een van de laatste hoofdstukken van zijn beroemd geworden boek The Rise and Fall of the Great Powers dat met een jaar of twintig ook de VS aan het door hem gemunte begrip ‘imperial overstretch’ ten onder zou kunnen gaan. Wereldmachten, schreef Kennedy, bestendigden hun positie altijd door economische kracht en Amerika zette die op het spel door hoge begrotingstekorten, een negatieve handelsbalans en hoge defensie-uitgaven. ‘Beleidsmakers in Washington’, schreef Kennedy, ‘moeten het blijvende gegeven erkennen dat het totaal van haar wereldwijde belangen en verplichtingen tegenwoordig groter is dan haar macht om die allemaal te verdedigen.’

In 1997 werd een denktank in het leven geroepen die niets anders beoogde dan het ‘bevorderen van Amerikaanse wereldleiderschap’. Dit Project for the New American Century (PNAC) ging, gestoeld op neoconservatieve principes uit het Reagan-tijdperk, uit van het idee dat het niet alleen in het Amerikaanse belang, maar ook in het belang van de rest van de wereld zou zijn als de Amerikanen tot in lengte van dagen de leiding zouden hebben en, in de woorden van medeoprichter Robert Kagan, ‘democratie en individuele rechten verspreiden’. Al in januari 1998 stuurde Kagan cum suis een brief aan toenmalig president Bill Clinton met het verzoek om ‘regime change’ in Irak. Dictator Saddam Hoessein zou, schreven ondertekenaars als Donald Rumsfeld en Paul Wolfowitz toen al, een bedreiging zijn voor de Amerikaanse veiligheid en voor de olievoorraden in het Midden-Oosten.

Veel kopstukken van het PNAC schopten het tot vooraanstaande posities in de regering van Clintons opvolger, George W. Bush. En waar de invloed van mensen als Defensie-minister Rumsfeld, vice-president Dick Cheney en onderminister van Defensie Wolfowitz in 2003 toe heeft geleid is bekend. Zonder valide reden, met een vervalste casus belli en uiteraard zonder VN-resolutie werd een land binnengevallen dat volgens de meeste onafhankelijke deskundigen op dat moment geen bedreiging vormde voor de VS. Hoewel 70 procent van de Amerikanen geloofde dat Saddam Hoessein achter de aanslagen op 11 september 2001 zat, was die link op geen enkele manier bewezen. Maar de PNAC-vrienden zouden in korte tijd Irak oprollen en daar politieke en economische hervormingen naar Amerikaans model brengen. Precies zoals dat jarenlang ook elders in de wereld gepoogd was.

We weten allemaal waar deze ‘Aanslag op de Rede’, zoals voormalig vice-president Al Gore het in een nieuw boek noemt, in Irak toe heeft geleid. Ruim 3500 Amerikaanse en een ontelbaar aantal Irakese doden verder is het land er niet beter aan toe dan toen de Amerikanen er in maart 2003 voet aan wal zetten. Niet alleen is Irak een chaos, ook is dankzij die chaos een klimaat gecreëerd waarin de vijanden van Amerika de vrije hand hebben om hun woede tegen de wereldhegemonie verder te botvieren. Zo kregen de PNAC-mannen en de haviken in de Amerikaanse regering via een soort self-fulfilling prophecy alsnog gelijk: al-Qaida is nu zonder enige twijfel in Irak vertegenwoordigd en is nu een gevaar voor de VS.

Neoconservatieven wilden met het uitdragen van de ‘vrijheidsagenda’ laten zien dat de Amerikaanse hegemonie onafwendbaar is. Maar hoe onkwetsbaar is de VS werkelijk? ‘Being powerful is like being a lady’, zei Margaret Thatcher ooit. ‘If you have to tell people you are, you aren’t.’

De Irak-oorlog heeft de verrassende kwetsbaarheid van de laatste supermacht, eigenlijk precies zoals Wallerstein voorspelde, pregnant blootgelegd. De Amerikaanse dominantie in de wereld, die ook zonder de fatale inspanningen van de neoconservatieven een feit was geweest, is door de Irak-oorlog, door het democratiseringsoffensief in het Midden-Oosten dat bedoeld was om de monopolaire positie verder te versterken, eerder verzwakt. In de eerste plaats natuurlijk militair: ten onrechte verklaarde president Bush op 1 mei 2003 de ‘mission accomplished’ – nog steeds zitten 150.000 Amerikaanse soldaten in Irak. Maar ook moreel en economisch.

Moreel hebben de Amerikanen, zoals de Democratische presidentskandidaat Barack Obama veelvuldig beargumenteert, hun vooraanstaande plek in de wereld verloren door het martelschandaal in de Abu Graib-gevangenis en door de omstreden praktijken in Guantánamo Bay. Een land dat het evangelie van individuele vrijheid en rechtstatelijkheid predikt, kan zich zulke vergissingen niet veroorloven.

Het economisch verlies van de wereldmacht Amerika is zo mogelijk nog groter. Terwijl er haast geen Amerikaan meer te vinden is die de oorlog nog ondubbelzinnig steunt, houdt het Witte Huis tegenover een morrend Congres hardnekkig vast aan het heilige project in Irak. Stay the course! roept president Bush. Want nu weggaan zou een overwinning voor de terroristen beteken.

Een snelle terugtrekking, zoals veel Democraten bepleiten, zou inderdaad niet sjiek zijn. Het is laf om de Irakezen opeens de rug toe te keren en via de achterdeur te vertrekken. De enige wereldmacht, ook nog eens gesteund door God zelve, kan zich niet door een groepje opstandige muzelmannen naar huis laten sturen. En hoewel het regime van Saddam Hoessein beslist geen pretje was, is het land nu bijkans volledig ontwricht. Dat kan toch niet de bedoeling zijn geweest. Om enige stabiliteit in het Midden-Oosten te creëren (en de door het PNAC in 1998 genoemde olievoorraden veilig te stellen) zou Irak niet verder moeten afglijden.

Maar de oorlog drukt zwaar op de Amerikaanse begroting. En de vele honderden miljarden dollars die nodig zijn om de troepen en het materieel te betalen, zijn er niet. Deels door ‘Irak’ is de nationale schuld inmiddels opgelopen tot bijna 9 biljoen dollar, een negen met 12 nullen. Amerika ‘spaart negatief’, zoals economen dat soms noemen.

En het is China, die nieuwe, opstomende potentiële wereldmacht, die de VS de laatste jaren van handgeld heeft voorzien. Door de aankoop van vele miljarden dollars aan Amerikaanse staatsobligaties, betalen de Chinezen de facto de strijd in Irak. En als de Chinezen dat willen, dan gaat de stekker eruit en lijdt het Witte Huis alsnog zijn nederlaag.

Het doemscenario van Paul Kennedy: imperial overstretch, een wereldrijk dat op wankele economische fundamenten gebouwd is. Amerika is een reus op lemen voeten.

Terwijl de neoconservatieve haviken die Bush naar Irak leidden consolidatie van de Amerikaanse hegemonie voor ogen hadden, is met de oorlog in hoog tempo juist de positie van China als kandidaat-wereldmacht versterkt. Ook dat zal niet de bedoeling zijn geweest.

Niet de zwarte helikopters van de VN bedreigen de Amerikaanse hegemonie, maar de Chinezen. Mede dankzij de op de pof oorlogvoerende regering-Bush.

Wie een versterking zonder reden hardnekkig blijft verdedigen wordt gestraft.

Peter Vermaas is correspondent van De Groene Amsterdammer in New York en schrijft aan een boek over de betekenis van religie in de Verenigde Staten.

Advertisements

About this entry