Voorkeur voor foute mannen (De Groene Amsterdammer, 2 november 2007)

Condoleezza Rice probeert de internationale nalatenschap van Bush positief bij te stellen. Twee biografieën van de minister tonen hoezeer haar lot verbonden is aan dat van de president.

DOOR Peter Vermaas

Anderhalf jaar geleden verscheen het boek Condi vs Hillary: The Next Great Presidential Race. Met een stelligheid waar Amerikanen patent op lijken te hebben, sleutelde politiek commentator Dick Morris in meer dan driehonderd pagina’s het draaiboek voor de aanstaande presidentsverkiezingen in elkaar. Het was onvermijdelijk, wist Morris, dat Hillary Clinton de kandidaat van de Democraten werd. Omdat een meerderheid van vrouwen en minderheden op haar zullen stemmen, moest de Republikeinse Partij óók met een atypische kandidaat op de proppen komen. En daarom werd minister van Buitenlandse Zaken Condoleezza Rice, volgens Morris, klaargestoomd om George W. Bush op te volgen.

Maar een kandidatuur van Rice lag niet erg voor de hand. Ze had nooit aan enige serieuze verkiezing deelgenomen en bezat daardoor geen enkele ervaring met het opzetten van fondsenwerving. Bovendien had niemand enig idee wat haar positie bij zwaarwegende nationale issues is. Wat vindt ze van wapenbezit? Van abortus of homorechten? Rice is een onbeschreven blad, schreven de critici na lezing van het boek van Morris. Dat boek ligt inmiddels in de ramsj en bij de Republikeinen strijdt als vanouds een aantal witte middelbare mannen om de eer: van een kandidatuur van Rice is geen enkele sprake. Toch is ze, merkwaardig genoeg, nog altijd een van de populairste bewindspersonen in de dramatisch impopulaire regering van George Bush. Hoewel ze nationaal veiligheidsadviseur was toen Bush in Irak ten strijde trok, wordt Rice het volkomen ontspoorde buitenlandbeleid zelden aangerekend. Zowel Democraten als Republikeinen zeggen in opiniepeilingen haar te vertrouwen.

Hoe heeft ze dat klaargespeeld? En wat is in het Witte Huis precies haar rol geweest? Twee onlangs verschenen boeken proberen die vragen te beantwoorden. En passant wordt daarbij gepoogd het mysterie Condoleezza Rice nader te duiden en haar erfenis in kaart te brengen.

In Twice as Good: Condoleezza Rice and her Path to Power doet Newsweek-journalist Marcus Mabry dat vooral heel uitgebreid. De helft van het boek beslaat de periode dat Rice nog niet in Washington werkte. Mabry beschrijft gedetailleerd hoe Rice (1954) opgroeit in een zwart middenklassegezin in het dan nog gesegregeerde Alabama. Als zwart meisje, herhaalt Mabry keer op keer, moest je ‘twee keer zo goed’ zijn om te kunnen slagen. Rice was dat. Vader John Rice, dominee, heeft er bovendien alles aan gedaan om zijn dochter zo afgeschermd mogelijk op te voeden. Alles was gericht op haar persoonlijke ontwikkeling: dat ze zwart was mocht nooit een beperking zijn. Terwijl in hun woonplaats Birmingham bommen ontploften en Martin Luther King een paar straten verderop gearresteerd werd, kon Condoleezza zich onbekommerd toeleggen op school, pianospelen en kunstschaatsen.

Toen de hele wereld met ingehouden adem de burgerrechtenbeweging in de Verenigde Staten volgde, had Rice naar eigen zeggen meer belangstelling voor de Koude Oorlog en de ontwikkelingen in de Sovjet-Unie. Ze stopte (wegens gebrek aan talent) met haar pianostudie en stapte over op politicologie. Aan de Universiteit van Denver specialiseerde ze zich onder hoogleraar Josef Korbel, de vader van Clintons minister Madeleine Albright, in Sovjet-studies. Als docent en onderzoeker aan de prestigieuze (en tamelijk liberale) Stanford University in Californië maakte ze vervolgens snel carrière. Ze schopte het er uiteindelijk zelfs tot hoge bestuurder.

Het was de softe en in Condi’s ogen ‘naïeve’ aanpak van de Sovjet-Unie onder president Jimmy Carter die haar vervreemdde van de Democratische Partij. Ze zegde haar lidmaatschap op en sloot zich aan bij de Republikeinen van Ronald Reagan. Haar vader was in 1952 al lid van de Republikeinen geworden: de zuidelijke Democraten wilden hem destijds domweg niet registreren. Hij bleef lid omdat hij, net als Condoleezza, niets op had met de Democratische betutteling van minderheden: succes is een keuze.

De nuchtere realist Condoleezza Rice werd in 1989 door Brent Scowcroft, de nationale veiligheidsadviseur van de oude president Bush, naar Washington gehaald om hoofd Sovjet- en Oost-Europese zaken te worden. Ze was in deze functie verantwoordelijk voor de wijze waarop de VS de navolgende jaren met ‘Moskou’ zouden omgaan. Het ‘evil empire’ van de door Rice bewonderde Reagan diende vanaf nu met fluwelen handschoen te worden aangepakt en geïntegreerd te worden in de westerse wereld. Dankzij Rice, betoogt Mabry, slaagde Bush erin de Russen te winnen voor het idee van een verenigd Duitsland. Na jaren van ideologische scherpslijperij droeg haar realisme bij aan een normalisering van de internationale verhoudingen. En Bush was trots op zijn hardwerkende, jeugdige medewerkster. ‘Alles wat ik van de Sovjet-Unie weet, heeft zij me verteld’, verklapte hij aan Sovjet-president Michael Gorbatsjov toen hij Rice bij hem introduceerde.

Bijna tien jaar later stelde de oude Bush, ‘Bush 41’, Rice voor aan zijn zoon, die op zijn beurt president wilde worden. Rice moest in de aanloop naar de verkiezingen van 2000 George W. Bush’ totale gebrek aan kennis over buitenlandse politiek onder handen nemen. Wekenlang heeft ze hem privé-colleges gegeven en tijdens de campagne werd ze zijn belangrijkste adviseur op internationaal gebied. Ze werd hiervoor in 2001 beloond met de baan van nationaal veiligheidsadviseur. Dat was eervol, maar van ‘Bush 43’ was bekend dat hij de binnenlandse politiek veel belangrijker vond. Dat veranderde natuurlijk compleet na 11 september 2001.

Volgens de bronnen van Mabry heeft Rice zelf zich nooit echt voor binnenlands beleid geïnteresseerd. Maar de biograaf concludeerde na achtergrondgesprekken met vrienden en collega’s dat ze ‘mildly’ voor het recht op abortus is, dat ze niet tegen homorechten is of althans niet vindt dat de grondwet aangepast moet worden om een homohuwelijk tegen te houden. Verder is ze volgens Mabry hardcore voorstander van het tweede grondwettelijk amendement, dat het recht op vuurwapens regelt. ‘Haar enige ideologie’, stelt een collega uit Stanford in Twice as Good, ‘is de ideologie van de macht.’

Die opmerking is vriendelijk te interpreteren en dat doet Marcus Mabry ook. Hij steekt in zijn persoonlijke biografie niet onder stoelen of banken dat hij een fan van Condoleezza Rice is. Met nadruk schrijft hij in de inleiding bovendien dat hij nooit zo veel boven water had kunnen halen als hij niet zwart was geweest. Daarmee zal hij vooral de soms wat voyeuristische informatie over Rice’s jeugd en privé-leven bedoelen. Maar ach, wie wil niet weten dat de eeuwige vrijgezel Condoleezza Rice ‘een voorkeur voor foute mannen’ heeft? Jarenlang had ze dates met professionele footballspelers, maar de affaires strandden omdat uiteindelijk bleek dat de bonkige sporters aan tafel niet zo veel te vertellen hadden.

Een meer politieke analyse van Rice valt te lezen in The Confidante: Condoleezza Rice and the Creation of the Bush Legacy van Glenn Kessler, redacteur van The Washington Post. Hij neemt vooral de laatste paar jaren van Rice’s bestaan onder de loep en is daarbij aanzienlijk minder mild dan Mabry. Hoe is het mogelijk, vraagt Kessler, dat die gematigde Realpolitiker Rice in 2001 naar Washington terugkeerde om nationaal veiligheidsadviseur te worden voor de veel ideologischer president George W. Bush? En hoe is het mogelijk dat ze na vier jaar zelfs gepromoveerd werd tot minister van Buitenlandse Zaken?

Rice is hyperintelligent en was een succesvol wetenschapper, erkent Kessler, maar een goede veiligheidsadviseur is ze niet geweest. Terwijl ze er prat op gaat acht keer per dag met Bush te praten, vakanties vaak met George en Laura Bush doorbrengt en zelfs op zondagavond regelmatig bij het familiediner aanschuift, heeft ze de president niet behoed voor het fiasco in Irak. Niemand in Washington staat zo dicht bij de president – Bush noemt Rice liefkozend zijn ‘zusje’ – maar het lukte haar niet om vice-president Cheney en minister van Defensie Rumsfeld tot rede te brengen. Sterker, het door haar uitgedachte concept van ‘transformational diplomacy’ werd de leidraad in het nu als een grote mislukking beschouwde buitenlandbeleid van de president. Onder Rice als veiligheidsadviseur bekoelden de betrekkingen met Europa en de Verenigde Naties, strandden de onderhandelingen met Noord-Korea en werd een hervatting van vredesgesprekken tussen Israël en de Palestijnen een utopie.

Toch werd ze in 2005 minister van Buitenlandse Zaken en daarmee volgens Bush ‘de machtigste vrouw in de geschiedenis van de wereld’. Als minister is het Rice’s taak om niet alleen de verstoorde verhoudingen met de rest van de wereld te herstellen, maar ook om de erfenis van acht jaar George W. Bush als leider van de vrije wereld op te kalefateren. Daartoe vliegt ze deze dagen de wereld over om ten minste op een aantal lang verwaarloosde of uit de hand gelopen dossiers enige vooruitgang te boeken. Ze kan, met een uitgespeelde Cheney en een opgestapte Rumsfeld, haar reputatie redden, schrijft Kessler, door tijdens een grote Midden-Oosten-conferentie, deze maand in de Verenigde Staten, het vastgelopen vredesproces in Israël vlot te trekken of door een succes te boeken in Noord-Korea. Maar erg optimistisch is Kessler niet over het ‘praktisch idealisme’ van Rice. De tijd voor haar en president Bush, aan wie ze haar lot verbonden heeft, begint te dringen.

Van een realist werd Rice onder Bush een moralist of in ieder geval een idealist. Mabry en Kessler concluderen beiden dat de aanslagen op 11 september daarin doorslaggevend zijn geweest. Die hebben het wereldbeeld van Rice zodanig gekanteld dat ze voor het eerst niet meer alles door een Oost-West-bril zag en een visie ontwikkelde op terrorisme. Maar echt overtuigend is deze verklaring niet. De kritische Kessler komt daarom ook nog met een andere verklaring op de proppen: zou Rice in haar honger naar macht niet gewoon een grote opportunist zijn?

© Peter Vermaas / De Groene Amsterdammer

Marcus Mabry

Twice as Good: Condoleezza Rice and her Path to Power

Modern Times, 360 blz., $ 27.50

Glenn Kessler

The Confidante: Condoleezza Rice and the Creation of the Bush Legacy

St. Martin’s Press, 304 blz., $ 25.95

Advertenties

About this entry