Afrikaanse oplossingen (Vice Versa, december 2007)

De weg kwijt

Ontwikkelingsorganisaties, wetenschappers en beleidsmakers bepleiten Afrikaanse oplossingen voor Afrikaanse problemen. Ze discussiëren over de mogelijkheid van een unieke Afrikaanse weg naar ontwikkeling, maar hebben die vooralsnog niet gevonden. Bestaat die eigenlijk wel of is de roep om Afrikaanse oplossingen louter retoriek? Peter Vermaas op zoek naar de Afrikaanse weg. Zonder routeplanner.

DOOR Peter Vermaas

‘I am an African’, orakelt Thabo Mbeki op 8 mei 1996. ‘Ik heb mijn bestaan te danken aan de heuvels, de valleien, de bergen en de moerassen, de rivieren, de woestijnen, de bomen, de bloemen, de zeeën en de altijd weer veranderende seizoenen die het aanzien van onze grond karakteriseren.’

Mbeki is vice-president onder Nelson Mandela en de toespraak die hij bij de presentatie van de nieuwe Zuid-Afrikaanse grondwet in het parlement in Kaapstad houdt, wordt gezien als een beginselverklaring. Als het kompas waarop Afrika onder leiding van het vrije Zuid-Afrika de komende jaren zal varen. De komende jaren? De komende eeuwen! Want Mbeki, de belofte zelf, is hoopvol. De 21e eeuw wordt ‘de eeuw van Afrika’.

‘Het voelt vandaag goed om Afrikaan te zijn’, vervolgt hij na een trits bloemrijke beschouwingen waarin hij zijn gehoor meeneemt van de Zulu-heuvel Isandhlwana naar Khartoem, van de Ethiopiërs naar de Ashanti en de Berbers. Alle, zegt Mbeki, zijn ‘juwelen van de Afrikaanse kroon’.

‘I am an African. Ik kom voort uit de volkeren van het continent Afrika. De pijn van gewelddadige conflicten die de volkeren van Liberia, Somalië, Soedan, Burundi en Algerije ondervinden, is de pijn die ook ik met me meedraag. (…) Welke tegenslagen er ook zijn, niets kan ons nog stoppen. Wat de problemen ook zijn, Afrika zal vrede krijgen. Hoe onwaarschijnlijk het ook moge klinken voor de sceptici, Afrika zal bloeien.’

Von Münchhausen

Met zijn toespraak gaf Mbeki het startschot voor wat hij de ‘Afrikaanse renaissance’ is gaan noemen. Met meer democratische leiders overal op het continent en met de omwenteling van Zuid-Afrika als inspirerend voorbeeld, moest Afrika in korte tijd aansluiting vinden bij de rest van de wereld. Afrika het ‘verloren continent’? Welnee, met het democratische Zuid-Afrika aan het roer waren wonderen mogelijk. De Afrikaanse renaissance bracht de pan-Afrikaanse hoop van Nkrumah, Lumumba en Kenyatta weer terug in de belangstelling.

Een jaar na ‘I am an African’ legde Mbeki uit wat die Afrikaanse renaissance volgens hem precies behelsde: sociale cohesie, zei hij, democratie, economische wederopbouw en groei en het lanceren van Afrika als een niet te negeren diplomatieke speler op het wereldtoneel. Geweld, vriendjespolitiek, corruptie en armoede moesten worden uitgebannen en met hulp van Zuid-Afrika zou het hele continent zich als een Baron Von Münchhausen aan de eigen haren uit het moeras omhoogtrekken.

Natuurlijk was er geld nodig van het Westen. Het ontwikkelingsplan Nepad (New Economic Partnership for Africa’s Development), dat Mbeki samen met de leiders van Nigeria, Senegal en Algerije lanceerde, zou niet kunnen bestaan zonder gerichte ontwikkelingshulp van donoren die Afrika al veertig jaar lang met goed bedoelde maar niet altijd even effectieve reddingsplannen bestookten. Het leunde bovendien zwaar op de neoliberale blauwdrukken die diezelfde donoren jarenlang over Afrika uitgestort hadden. Maar vanaf nu, betoogde de vice-president, zou nog slechts op de voorwaarden van het continent zelf ontwikkeld worden. Voor Afrikaanse problemen moesten Afrikaanse oplossingen gevonden worden.

Met ‘een nieuwe generatie leiders’ in traditioneel moeilijke landen als Eritrea, Ethiopië, Oeganda, Rwanda en Nigeria en de democratisering in Zuid-Afrika was het Westen positief gestemd. Het ontwikkelingsplan Nepad werd direct omarmd en Mbeki’s renaissance werd onderdeel van het ontwikkelingsdiscours. Op een topontmoeting van het exclusieve gezelschap van leiders van de grote industrielanden, de G8, mochten Mbeki en de Nigeriaanse president Obasanjo hun plannen nader toelichten. Het leverde mooie plaatjes op. Afrika deed mee.

‘Nepad is omarmd als een oplossing die uit Afrika kwam’, beaamt Leo de Haan, directeur van het Afrika Studie Centrum in Leiden. ‘Binnen de kortste keren zijn er alle mogelijke ondersteuningsprogramma’s gekomen voor onder andere het Peer Review Mechanism en voor de militaire tak van de Afrikaanse Unie. Men grijpt iedere mogelijkheid aan om op Afrikaanse oplossingen aan te sluiten.’

Een aantal minder grote Afrikaanse landen had in eerste instantie twijfels. Was de Afrikaanse renaissance daadwerkelijk bedoeld om het hele continent te versterken of was het louter een instrument om de diplomatieke en economische macht van grote broer Zuid-Afrika te vergroten en het continent opnieuw te koloniseren? Ook niet-gouvernementele organisaties hadden zo hun bezwaren: zij waren niet gehoord en vonden dat Mbeki Afrika uitleverde aan het Westen.

Niettemin werden alle voorstellen van Mbeki geaccepteerd. Niet alleen Nepad, maar ook zijn idee om, als onderdeel van de Afrikaanse renaissance, de machteloze Organisatie voor Afrikaanse Eenheid om te sleutelen tot de nieuwe Afrikaanse Unie.

Middenklasse

Tien jaar na de filosofische vergezichten van Mbeki dreunt de belofte van de Afrikaanse renaissance nog altijd na.

Met Zuid-Afrika gaat het relatief goed. De economie draait althans op volle toeren en Zuid-Afrikaanse bedrijven hebben vrijwel overal in Sub-Sahara Afrika de markt veroverd. Witte en zwarte ondernemers uit Zuid-Afrika durfden te investeren in kwetsbare landen en maken nu de dienst uit in de Afrikaanse bankwereld, de telecommunicatie, fastfood, retail en de altijd belangrijke bierhandel. Een herkolonisatie is het niet, maar de Afrikaanse renaissance heeft voor zover het het morele en economische leiderschap van ‘Pretoria’ betreft Zuid-Afrika geen windeieren gelegd.

Ook voor de rest van Afrika zijn de economische verwachtingen niet eens zo beroerd. De gemiddelde groei ligt boven de 5 procent en in sommige landen is een middenklasse ontstaan. Door de stijging van de prijs van commodities als koffie, koper, katoen en voedsel, voorzien economen ook voor de komende jaren groei.

De politieke renaissance verliep moeizamer. De grote roerganger van de Afrikaanse renaissance zelf is niet meer de veelbelovende leider die hij in 1997 was. De mystificerende Mbeki kroop verder in zijn schulp en gleed uit met eigenzinnige opvattingen over hiv/aids die in Zuid-Afrika in het politieke debat een serieuze rol zijn blijven spelen. Was het negeren van een ontluikende crisis en het onthouden van antiretrovirale medicijnen een Afrikaanse oplossing voor gezondheidszorg? Zijn onvermogen iets aan de politieke crisis in buurland Zimbabwe te doen stemde al even weinig hoopvol. Was Mbeki’s ‘stille diplomatie’ richting Robert Mugabe een Afrikaanse oplossing voor conflictpreventie?

Eufemisme

Ook zijn gedroomde democratische discipelen, de ‘nieuwe generatie leiders’ van Ethiopië (Zenawi), Eritrea (Afewerki), Oeganda (Museveni), Rwanda (Kagame) en Nigeria (Obasanjo), bleken minder vernieuwend dan gehoopt. Ze spraken weliswaar de taal van de Afrikaanse renaissance en wisten zich in het Westen een plaats aan tafel te veroveren, maar tegen de zin van datzelfde Westen zijn ze (op Obasanjo na) nog steeds aan de macht en hebben ze in hun landen eerlijke meerpartijendemocratie zo lang mogelijk gedwarsboomd. Was het lang door het Westen positief bejegende ‘geenpartijenstelsel’ in Oeganda daadwerkelijk een vorm van ‘Afrikaanse democratie’ dat tribale twisten voorkwam, zoals president Museveni beweerde, of was het een lomp eufemisme voor een eenpartijstaat?

Met nieuwe conflicten in onder andere Soedan, Ivoorkust en Congo is er van een door Mbeki beloofde vreedzame 21ste eeuw in Afrika vooralsnog niet veel terecht gekomen. Maar zijn geesteskind, de Afrikaanse Unie, speelt bij het zoeken naar oplossingen voor al deze conflicten via de in Addis Abeba zetelende Peace and Security Council wel een steeds belangrijkere rol. In onder andere Somalië en Soedan proberen vredestroepen onder de vlag van de Afrikaanse Unie (met wisselend succes) de strijdende partijen uit elkaar te houden. Een aantal landen heeft zich inmiddels ook vrijwillig laten doorlichten op goed beleid en bestuur via het aan de Afrikaanse Unie gekoppelde African Peer Review Mechanism.

Maar ook de Afrikaanse Unie heeft zo zijn problemen. De jaarlijkse applausronde aldaar voor dictator Robert Mugabe en zijn anti-westerse tirades wordt niet overal even goed begrepen. Of schuilt in Mugabes anti-westerse retoriek de kern van een Afrikaanse weg? Is de Afrikaanse weg louter geplaveid met goede bedoelingen en niet meer dan een (duur) verkooppraatje?

Bestaan Afrikaanse oplossingen eigenlijk wel?

Heilige graal

Steeds weer steekt de discussie over een unieke Afrikaanse weg naar ontwikkeling de kop op. Wetenschappers, ontwikkelingswerkers en beleidsmakers zijn op zoek naar Afrikaanse oplossingen voor Afrikaanse problemen.

Volgens Roel van der Veen, wetenschappelijk raadsadviseur van Buitenlandse Zaken en auteur van het boek Afrika: Van de Koude Oorlog naar de 21e eeuw (2002) zitten ze daarmee op een dood spoor. In een in het zomernummer van Vice Versa afgedrukt essay sombert historicus Van der Veen over pogingen om een typisch Afrikaanse weg naar ontwikkeling te vinden. ‘Het zoeken naar een eigen spoor van ontwikkeling is romantisch en ethisch zeer te verdedigen,’ schrijft hij, ‘maar de geschiedenis bewijst dat het nergens toe leidt. Zolang Afrika geregeerd wordt door leiders die op zoek blijven naar de heilige graal (en zolang zij daarin worden gesteund door invloedrijke buitenlanders), zal Afrika in het moeras blijven steken waarin het zich al zo lang bevindt.’

Het stuk van Van der Veen was een gelijkgestemde reactie op een artikel van sociaal geograaf Jacques van Nederpelt. Afrika, schreef Van Nederpelt ‘volgt vooralsnog de logica van zijn oude tradities’. Er zal, volgens hem, nagedacht moeten worden ‘hoe Afrika afgeholpen kan worden van zijn preoccupatie met zijn tribale verleden. Hoe kunnen familiebanden voor individuen een zegen worden in plaats van een vloek? Hoe kan politiek cliëntelisme plaatsmaken voor een moderne, democratische binding tussen kiezer en gekozene?’

Een land dat zich wil ontwikkelen kan dat volgens Van der Veen uiteindelijk maar op één manier doen: op de westerse manier. Andere wegen naar ontwikkeling bestaan niet, zegt hij. Afrika moet daarom afstand nemen van nu nog dominante ‘premoderne tradities’, die ‘verantwoordelijk moeten worden gehouden voor het uitblijven van ontwikkeling’. Niet het kolonialisme, maar de prekoloniale geschiedenis van Afrika, de tribale wortels, belemmeren ontwikkeling.

Kortom: ‘Afrika moet Afrika verlaten’, vindt Van der Veen, naar het voorbeeld van Japan. ‘Het leren en kopiëren van succesvolle voorgangers moet voor arme landen centraal staan. Toen Japan, het eerste niet-westerse land dat moderniseerde, in de negentiende eeuw besloot machtig en rijk te worden, ging dat onder het motto van het kopiëren van het beste van de westerse landen. Een toonaangevende Japanse geleerde uit die tijd, Yukichi Fukuzawa (1853-1901), stelde zelfs dat Japan het achterlijke Azië zou moeten verlaten en Europa zou moeten binnengaan’, schrijft Van der Veen. ‘Vrijwel iedereen – in Afrika en daarbuiten – lijkt op zoek naar juist die bijzondere Afrikaanse weg. Wat het specifieke van die weg zou zijn, valt niet te zeggen, want men is nog op zoek.’

Professor Leo de Haan, door de telefoon: ‘Als Afrikaanse oplossingen zouden bestaan, dan hoefden we er niet naar op zoek te gaan.’

Licht racistisch

Vice Versa zette tien jaar na de plannen van Mbeki de zoektocht voort en raakte al snel het spoor bijster. Want is het eigenlijk wel zo dat ‘vrijwel iedereen’ op zoek is naar zo’n Afrikaanse weg? En nogmaals: waar bestaat die weg dan uit? Al te gemakkelijk, zo bleek tijdens de rondgang, verzanden gesprekken over een Afrikaanse weg naar ontwikkeling in discussies over het al dan niet geloven in Afrikaanse ontwikkeling (ooit) of in het al dan niet geloven in ontwikkelingssamenwerking als vehikel. Of over de aannames van Roel van der Veen en Jacques van Nederpelt. Want die zijn ‘op zijn best eurocentrisch’, vindt de Namibisch-Duitse Afrika-specialist Henning Melber.

Volgens professor Nicolas van de Walle van Cornell University in New York, auteur van het boek African Economies and the Politics of Permanent Crisis, 1979-1999, kan het in ieder geval niet zo zijn dat Afrika niet ontwikkelt omdat er iets typisch Afrikaans is dat dat dwarszit. Dat is volgens de econoom een ‘licht racistische aanname’. Economische ontwikkeling met een eigen cultuur en andere familierelaties dan we in het Westen gewend zijn gaan prima samen, zegt hij. Kijk maar naar China.

Van de Walle: ‘Armoede en het niet ontwikkelen zijn over het algemeen een gevolg van slecht beleid, slecht bestuur, verschillende structurele ongemakken, zoals slechte bodemgesteldheid of tropische ziekten, en internationale factoren, zoals westers protectionisme of slechte hulp die vaak niet helpt of zelfs actief de lokale groeiperspectieven tegenwerkt.’ De tribale geschiedenis, meent Van de Walle, is alleen voor een klein aantal landen, zoals Burundi, een belemmering voor ontwikkeling. Bovendien is etniciteit vooral een probleem als ook andere factoren beroerd zijn. ‘Door schaarste wordt etniciteit een probleem. België heeft in feite ook een tribaal conflict, maar door de mate van ontwikkeling is dat geen bezwaar. De premoderne cultuur in Afrika is geen oorzaak van onderontwikkeling, maar een symptoom ervan. Modernisering is ontwikkeling en ontwikkeling leidt tot modernisering.’

Bovendien: terwijl veel Afrikaanse landen tijdens het kolonialisme voorzichtig moderniseerden, werd die modernisering tezelfdertijd gekoppeld aan exploitatie van de oude tribale structuren, betoogt de Oegandese hoogleraar Mahmood Mamdani (Columbia University) in zijn boek Citizen and Subject: Contemporary Africa and the Legacy of Late Colonialism. Het (late) kolonialisme speelt volgens hem, anders dan Van der Veen beweert, wel degelijk een grote rol bij de tragere ontwikkeling van Afrika vergeleken met die van Aziatische landen.

Afrika moet zich volgens Nic van de Walle meer richten op de export van landbouwproducten en wellicht op toerisme. Zijn daar speciale Afrikaanse oplossingen voor nodig? ‘Ach, als je Afrika wil ontwikkelen, dan moet je wegen aanleggen, onderwijs en zorg verbeteren en de landbouw versterken. Ik vind niet dat je kunt zeggen dat er typisch Afrikaanse kenmerken zijn die de ontwikkeling van Afrika tegenhouden. Dat betekent dus ook dat er niet een speciale typisch Afrikaanse oplossing zou zijn om te ontwikkelen.’

Wat dat betreft is Van de Walle het dus wel weer met Van der Veen en Van Nederpelt eens. ‘Eerdere pogingen, zoals die van de Tanzaniaanse president Nyerere, zijn trouwens jammerlijk mislukt.’

Nederlandse zuilen

De kritiek van Van de Walle op de cultuurkritiek van Van Nederpelt en Van der Veen wordt gedeeld door politiek filosoof en Afrikanist Pieter Boele van Hensbroek van de Rijksuniversiteit Groningen. ‘”Tribalisme” is een onduidelijke term die in de wetenschap daarom ook nauwelijks meer gebruikt wordt’, zegt hij. ‘Die geschiedenis deelt Afrika bovendien met de hele wereld. Of is er een typisch Afrikaanse variant van, die zo venijnig voor modernisering uitpakt? Daar heb ik nooit van gehoord. Als het conflict tussen Vlamingen en Walen in Afrika zou plaatsvinden, dan zouden we het een tribaal conflict noemen’, stelt Boele Van Hensbroek. ‘En dan ligt meteen de vervolgvraag voor de hand: is etnische oriëntatie een essentieel obstakel voor ontwikkeling? Ook dat lijkt me niet het geval. De Nederlandse zuilen zijn een vergelijkbaar sociologisch verschijnsel. Hebben die de ontwikkeling zo beperkt?’

De sterke familiesolidariteit, de ‘grootfamilie’ die volgens Van Nederpelt Afrikanen passief zou maken, wordt volgens Boele van Hensbroek elders juist als een voordeel gezien. ‘In enkele andere landen wordt familiesolidariteit juist als een van de verklaringen voor ontwikkeling gegeven. In China en andere Aziatische landen is het de basis van het sociale leven. De enorme economische ontwikkeling de laatste decennia in de oostelijke Povlakte wordt vooral aan hechte verbanden in grote families toegeschreven.’

Volgens Boele van Hensbroek, die onderzoekscoördinator van het Groningse Centre for Development Studies is, ‘trakteren’ Van Nederpelt en Van der Veen ‘ons vooral op een collage van ficties, nogal aftandse vooroordelen en boude stellingen die bij de eerste toets der kritiek al richting prullenbak gaan. Daarbij krijgen externe factoren, zoals mondiale verhoudingen, effecten van kolonisering en dergelijke, geen plaatsje in hun analyse. Rond hun verhaal hangt daarom een penetrante geur van zelfgenoegzaamheid. Wat vertelt het ons aan nieuws vergeleken met het verhaal over Afrika en ontwikkeling dat al duizend maal op de koloniale veranda of op het terras van het vijfsterrenhotel is verteld en in de wetenschappelijke wereld de consensus was in de jaren vijftig van de vorige eeuw, toen de moderniseringstheorie en het idee van politieke ontwikkeling werd geformuleerd? Zij blijken even traditioneel, cultuurbepaald en onzelfkritisch te zijn als de fictieve traditionele Afrikaan die zij ten tonele voeren.’

Diaspora

Politicoloog Awil Mohamoud organiseerde in 2002, net na het verschijnen van het boek van Roel van der Veen, een reeks debatten in de Amsterdamse Balie onder de titel ‘Shaping a new Africa’. Met kenners uit binnen- en buitenland werd gepoogd de plannen van Thabo Mbeki serieus te nemen en diepgaand te kijken naar de kansen die Afrika zou hebben. Waarom heeft veertig jaar ontwikkelingssamenwerking Afrika niet verder in de vaart der volkeren opgestuwd?

Enkele maanden geleden verscheen het op de debatreeks gebaseerde boek Shaping a new Africa, waarin Mohamoud en een handvol andere auteurs pleiten voor een fris begin van de ontwikkelingsrelatie met Afrika waarbij minder van bovenaf, zoals de Europese Unie, ngo’s en ook Nepad doen, en meer van onderaf met de Afrikanen in het veld gewerkt wordt. Niet alleen in Afrika moet meer met gewone Afrikanen gewerkt worden, maar ook in de landen die hulp geven. Afrikaanse oplossingen vragen betrokkenheid van de diaspora, vinden de auteurs.

Mohamoud en zijn (Afrikaanse) medeauteurs maken zich in het boek veelvuldig boos over het Afro-pessimisme dat volgens hen de media domineert. Dat komt vooral door het ‘simplisme’ van auteurs als Van der Veen, verklaart Mohamoud tijdens een achtergrondgesprek in Amsterdam. ‘Van der Veen schrijft in zijn boek dat de premoderne cultuur van Afrika alles kapot heeft gemaakt, maar hij vergeet dat sinds de onafhankelijkheid van de meeste Afrikaanse landen juist daar de Koude Oorlog is uitgevochten. Allicht dat de hulp niet geholpen heeft: alle hulp draaide om wapens voor Afrika.’

Het Nederlandse debat over de ontwikkeling van Afrika wordt volgens Mohamoud ten onrechte gedomineerd door historici en antropologen. Economen bemoeien zich er haast niet mee. Dat vertekent de discussie én het beeld dat mensen van mogelijkheden voor ontwikkeling in Afrika hebben, vindt hij. ‘Cultuur lijkt het enige aspect in de discussie over ontwikkeling in Afrika. Maar het is maar een van de factoren. Cultuur is een interne factor, maar verder spelen natuurlijk ook de geschiedenis en andere externe, economische factoren.’

Africa Works

Die nadruk op cultuur leverde twee boeken op die voor westerse ontwikkelingswerkers volgens Mohamoud ‘bijbels’ zijn geworden, terwijl veel Afrikanen vinden dat ze de plank volledig misslaan. In ieder geval vindt Mohamoud dat. De boeken waarop hij doelt zijn The Criminalization of the State in Africa, samengesteld door onder andere Stephen Ellis, en Africa Works: Disorder As Political Instrument van Patrick Chabal en Jean-Pascal Daloz. Beide boeken verschenen in de reeks African Issues en beide boeken liggen, inderdaad, vaak op bureaus van beleidsmakers in Den Haag, Londen, Stockholm of Oslo. Mohamoud: ‘Vreselijke boeken. Slecht geïnformeerd. Beide boeken gaan uit van één realiteit en vergroten die dan naar het hele continent. Ellis weet vooral heel veel van Liberia en Sierra Leone en concludeert dan dat het er overal op het continent zo aan toegaat. Dan maak je Afrika wel heel klein. En als je Africa Works leest, dan krijg je het gevoel dat níets werkt in Afrika en áls iets werkt, dat het op een illegale manier werkt. Zoiets wordt een self-fulfilling prophecy die mensen ontmoedigt.’

Waarvan akte.

Maar het gesprek zou gaan over ‘Afrikaanse oplossingen voor Afrikaanse problemen’. In de inleiding van zijn boek noemt Mohamoud ze expliciet: in het kritische Afrika-debat in Nederland, schrijft hij, moet het ‘andere Afrika’ beter belicht worden, ‘een levensvatbaar Afrika waar significante vooruitgang is geboekt, nieuwe initiatieven worden gestimuleerd, waar problemen, worstelingen en uitdagingen worden aangepakt en bediscussieerd, en waar pogingen worden ondernomen om oplossingen te vinden vanuit het continent zelf.’

Maar wat die oplossingen precies zijn, blijft ook nu weer onduidelijk. Het meest concreet is een hoofdstuk van onder andere Vasu Gounden van het African Centre for the Constructive Resolution of Disputes (ACCORD), over Afrikaanse methoden voor het oplossen van conflicten. Verder veel ‘goed nieuws’ over Afrika en Mohamouds eigen stokpaardje: de inzet van de (al dan niet teruggekeerde) diaspora. Over een unieke Afrikaanse weg naar ontwikkeling gaat het boek eigenlijk niet. Zolang Afrikanen, hier en daar, bij de ontwikkeling van Afrika betrokken zijn, is er sprake van Afrikaanse oplossingen.

Mohamoud: ‘Afrikaanse oplossingen bestaan wel, maar zijn volgens mij meer onderdeel van wereldwijde oplossingen. Het gaat erom dat de krachten gebundeld worden. Als je alleen top-down via de Europese Unie of de Verenigde Naties werkt, dan lijkt het alsof Afrika zelf niets doet. Dat beeld wil ik voorkomen.’ Afrikaanse landen, zegt Mohamoud bovendien, moeten meer de kans krijgen hun eigen beleid te maken. De Poverty Reduction Strategy Papers (PRSP’s), waarin de regering van een ontwikkelingsland aan potentiële donoren uitlegt wat het gaat doen om de armoede te verminderen, ziet hij niet als eigen beleid. ‘Landen worden bij het schrijven van hun PRSP’s enorm gestuurd door het Westen’, zegt Mohamoud. Met ‘ownership’ heeft dat niets te maken. ‘Dat hele concept is gebakken lucht.’

Slavenhandel

Veel Afrikanisten, en vooral de Afrikanen onder hen, denken er zo over, concludeert Leo de Haan. En eigenlijk is hij het wel met ze eens. ‘Het is de vraag’, zegt hij, ‘hoeveel ruimte Afrikaanse bestuurders hebben gehad om aan eigen oplossingen te werken. Of er daadwerkelijk Afrikaanse oplossingen bestaan, weet je pas aan het eind van de rit, maar mij lijkt het dat Afrikanen veelal gevangen zaten in het neoliberale model, de Washington Consensus. En wat we inmiddels wel weten: one size fits all werkt niet.’

Een van die Afrikaanse collega’s is Paul Tiyambe Zeleza. Geboren in Zimbabwe toen dat nog Rhodesië heette, geschoold in Malawi en Londen en tegenwoordig hoogleraar en hoofd van het Department for African American Studies van de Universiteit van Illinois in Chicago. Zeleza schrijft ook. Veel zelfs. Hij blogt en publiceerde naast zijn wetenschappelijke werk een aantal romans.

Ook Zeleza vindt de Nederlandse discussie over de ontwikkeling van Afrika nogal simplistisch. ‘De problemen bij ontwikkeling van Afrika hebben heel weinig te maken met neopatrimoniale of etnische kwesties. Die issues, die steeds weer in de literatuur terugkomen, zijn reflecties van historische problemen die hun oorsprong vinden in de plaats die Afrika de laatste vijfhonderd jaar in de wereldeconomie heeft gehad. Het begon bij de slavenhandel, daarna kwam het kolonialisme, vervolgens de neoliberale agenda en de programma’s voor structurele aanpassing. Je kunt zeggen dat Afrika intern gefaald heeft, je kunt ook zeggen dat er problemen zijn geweest met de wijze waarop de wereldeconomie Afrika heeft geïncorporeerd.’

Moet het Westen zich dan maar helemaal niet meer met Afrika bemoeien? ‘Dat’, zegt Zeleza lachend, ‘zou een heel aardig begin zijn.’ Serieus: ‘Het Westen moet verantwoordelijkheid nemen voor wat het Afrika heeft aangedaan. En het Westen moet op een productieve manier betrokken zijn bij het oplossen van de problemen van Afrika. Wat hulp genoemd wordt, is vaak al problematisch. Hulp heeft Afrika verlamd. Tussen 1970 en 2002 heeft Afrika van de westerse wereld ongeveer 530 miljard dollar geleend, 540 miljard heeft het terugbetaald en het is nog steeds 300 miljard verschuldigd. We moeten stoppen met praten over ontwikkelingshulp, want het is geen hulp.’

Volgens Zeleza is er een structurele herziening nodig van de relaties tussen Afrika en het Westen. Er moet ‘dieper worden nagedacht’ over de ‘hulp’ (Zeleza: ‘Hulp tussen aanhalingstekens graag’), maar bijvoorbeeld ook over de morsige praktijken van het Europese en Amerikaanse bedrijfsleven in Afrika. ‘Oliebedrijven weigeren te onthullen aan welke regeringsfunctionarissen ze steekpenningen hebben betaald en banken in het Westen vinden het geen enkel probleem om geld van corrupte functionarissen onder te brengen. Ook dat brengt Afrika schade toe.’

Nepad is volgens Zeleza een mooi streven, maar is geen uniek Afrikaans plan. ‘Het is een neoliberaal programma en zo bekeken niet Afrikaans.’ Bovendien, zegt Zeleza net als Mohamoud, is het maatschappelijk middenveld nooit bij Nepad betrokken. ‘Het was een top-down initiatief van Afrikaanse leiders die de westerse wereld wat hervormingen beloofden in ruil voor ontwikkelingsgeld. Nepad is niet de structurele herziening van de relaties die zo nodig is.’

Isolatie

Wat dat betreft was Zeleza meer gecharmeerd van het eerdere ‘Lagos Plan of Action for the Economic Development of Africa’ uit 1980, dat poogde Afrika meer zelfvoorzienend te maken. Dat was misschien wel een echte Afrikaanse oplossing. Maar het Westen moest er volgens Zeleza niets van hebben. Binnen een jaar tijd lanceerde de Wereldbank het plan voor structurele aanpassing van de Afrikaanse economieën aan de westerse. ‘En we weten allemaal dat dat tot rampen heeft geleid.’ In 1989 kwam de United Nations Economic Commission for Africa met een alternatief plan en opnieuw ging de Wereldbank er met een neoliberale blauwdruk overheen, zegt Zeleza.

Met andere woorden: ‘Afrika heeft niet de tijd gekregen om eigen beleid te maken. Steeds als Afrika probeerde met eigen plannen te komen die, net zoals in Azië meer uitgingen van interne handel en minder van openstelling voor de wereld, werden die plannen ondermijnd en overruled door initiatieven van de internationale financiële instellingen.’

Afrika, vervolgt Zeleza, heeft zich ‘de laatste vijfhonderd jaar’ niet in isolatie ontwikkeld. ‘Als je op zoek bent naar Afrikaanse oplossingen voor Afrikaanse problemen, dan suggereer je dat alle problemen ook een interne Afrikaanse oorzaak hebben. En dat bestrijd ik zeer. Europa heeft zich evengoed niet in isolatie ontwikkeld. Dat was in de context van de slavenhandel, de context van het kolonialisme en de context van het exploiteren van de rest van de wereld. Afrika en Europa zijn dus diep verbonden, of we dat nu leuk vinden of niet. Dat Europa’s ontwikkeling totaal Europees is en Afrika’s ontwikkeling totaal Afrikaans, is een verkeerde aanname.’

Universele ideeën

De politicoloog/socioloog Henning Melber, die zijn halve leven in Namibië heeft gewoond en nu directeur is van de Dag Hammarskjöld Foundation in Uppsala (Zweden), bestrijdt desgevraagd dat er een keuze bestaat tussen een typisch Afrikaanse weg naar ontwikkeling of een westerse.

‘Het is net als met mensenrechten. Zijn die universeel of westers? Ik denk dat die universeel zijn, maar dat er in andere delen van de wereld nuanceverschillen bestaan. Het is een uitdaging om universele ideeën een lokale invulling te geven.’ Afrika, zegt ook Melber, is geworteld in het wereldsysteem en kan niet zonder de rest van de wereld op een eigen manier ontwikkelen. ‘De dominantie van Europa is in Afrika zo lang zo groot geweest dat het onmogelijk is gebleken om enig alternatief te ontwikkelen dat niet op een of andere manier die invloed weerspiegelt. In de 21ste eeuw kan geen enkele oplossing Afrikaans, Aziatisch, Europees of Amerikaans zijn. Oplossingen moeten gebaseerd zijn op universele, fundamentele ideeën en ingevuld worden met lokale componenten. Net als in de Europese Unie: de Zweden hebben andere ideeën over sociale verzekeringen dan de Britten.’

Melber heeft veel onderzoek gedaan naar Nepad en de Afrikaanse Unie. Daarover is hij tamelijk positief. Het is een ‘slimme strategische zet’ geweest van vooral Obasanjo en Mbeki. Maar niet meer dan dat. Het is een verkooppraatje, een manier om de aandacht weer even op Afrika te vestigen. ‘Mbeki ziet zichzelf als de architect van Nepad, maar Nepad kan niet bestaan zonder de buitenwereld: lokale actoren die een globale en een lokale benadering hebben’, zegt Melber.

Ondertussen raakt Nepad ook alweer gecorrumpeerd. ‘Nepad is steeds meer de economische tak van de Afrikaanse Unie aan het worden. Het is vandaag een mega-ngo die prominent in beeld komt bij de ideeën voor een groene revolutie van Bill Gates en Kofi Annan.’ Maar die groene revolutie, die ervoor moet zorgen dat Afrika op grote schaal landbouwproducten of biobrandstof gaat produceren, is volgens Melber bepaald niet in het belang van Afrika. ‘Het is voor het Westen domweg goedkoper om die brandstof uit Afrika te halen dan uit Latijns-Amerika. Het plunderen gaat door.’ Wat dat betreft, zegt Melber, is er best behoefte aan Afrikaanse oplossingen voor Afrikaanse problemen. Maar dan op kleine schaal.

‘Eigenlijk’, besluit Henning Melber, ‘wil ik alleen maar zeggen dat we af moeten van onze geografische obsessie. Die is achterhaald.’

Dan is het even stil aan de andere kant van de lijn. ‘Of’, vraagt de professor geschrokken, ‘heb ik je nu helemaal in verwarring gebracht?’

Ficties

Goede vraag. Misschien wel. Want nog altijd is onduidelijk wat nu die unieke Afrikaanse weg naar ontwikkeling is. In de huidige geglobaliseerde wereld lijken typisch Afrikaanse oplossingen voor ontwikkeling niet te bestaan. De verhalen hierover zijn voor een groot deel retoriek. Overigens niet alleen in de verkooppraatjes van Afrikaanse leiders die geld voor hun nieuwe plannen willen of van goedbedoelende ontwikkelingswerkers die het begrip ‘ownership’ meer inhoud willen geven, maar ook in de verhalen van critici die betogen dat specifiek Afrikaanse problemen Afrikaanse oplossingen in de weg staan en suggereren dat er maar één weg is, de westerse.

Hoe die weg loopt? Niemand die het weet. Net zomin als er een Afrikaanse weg lijkt te bestaan, is een Aziatische of een universele westerse weg denkbaar. Er blijven vooral vragen.

Pieter Boele van Hensbroek: ‘Is het de vrijemarkteconomie? Dat miskent de enorme rol van de staat in de ontwikkeling van bijvoorbeeld Aziatische landen. Is het democratie? Helaas, ook bij dictatuur is ontwikkeling mogelijk. Is het de scheiding der machten en wat wij good governance noemen? Ook hier zijn weer uitzonderingen te over. Feitelijk is er een enorme diversiteit in ontwikkelingspatronen. Het idee van de universele ontwikkelingsweg is vooral een fictie, net als het tegen-idee van veel Afrikaanse leiders dat er een uniek Afrikaanse weg zou zijn. Het is net als bij die beroemde Nederlandse identiteit: iedereen beweert dat hij er is, maar niemand blijkt hem te kunnen specificeren. Het zijn ficties waarmee we onszelf geruststellen.’

Literatuur

Pieter Boele van Hensbroek, Political Discourses in African Thought: 1860 to the Present (Praeger, 1999)

Pieter Boele van Hensbroek & Sjaak Koenis, ‘Het Westen bestaat niet’ in D. Pels e.a., Burgers en Vreemdelingen: Opstellen over filosofie en politiek (Van Gennip, 1994)

Patrick Chabal & Jean-Pascal Daloz, Africa Works: Disorder as Political Instrument (James Currey, 1999)

Patrick Chabal, Leo de Haan e.a., African Alternatives (Brill, 2007)

Sean Jacobs & Richard Calland, Thabo Mbeki’s World: The Politics and Ideology of the South African President (Zed Books, 2002)

Mahmoud Mamdani, Citizen and Subject: Contemporary Africa and the Legacy of Late Colonialism (Princeton Univerity Press, 1996)

Thabo Mbeki, Africa: The Time Has Come (Tafelberg, 1998)

Thandika Mkandawire, ‘Thinking About Developmental States in Africa’ in Cambridge Journal of Economics (2001)

Abdullah A. Mohamoud (ed.), Shaping a new Africa (KIT Publishers, 2007)

Nicolas van de Walle, African Economies and the Politics of Permanent Crisis, 1979-1999 (Cambridge University Press, 2001)

http://www.viceversaonline.nl/index.php?page=30_3_1&articleId=13123&template=print 

Advertisements

About this entry