Bush in Afrika (De Groene Amsterdammer, 15 februari 2008)

Staat George Bush in Afrika eenzelfde ontvangst te wachten als Bill Clinton in 1998?

NEW YORK – President George W. Bush beschouwt zijn Afrikabeleid als een van de meer geslaagde kanten van zijn buitenlandse politiek. Het Midden-Oosten mag overhoop liggen, in Afrika verrichten de Amerikanen grootse werken. Om op deze positieve erfenis de aandacht te vestigen, reist de president vanaf aanstaande vrijdag bijna een hele week door het continent. Hij bezoekt samen met first lady en charitaskoningin Laura Bush de landen Benin, Tanzania, Rwanda, Ghana en Liberia.

Toen Bill Clinton in 1998 een tour door Afrika maakte, viel hem een heldenontvangst ten deel waarop haast niemand had gerekend. Voor het eerst in twintig jaar liet een Amerikaanse president zijn gezicht zien op het Afrikaanse continent en ondanks de rampzalig verlopen militaire hulpoperatie in Somalië in 1993, het wegkijken bij de Rwandese genocide in 1994 en een nogal bescheiden bijdrage aan ontwikkelingshulp, bleek de president in landen als Oeganda, Ghana en Zuid-Afrika onwaarschijnlijk populair. Democraten zijn goed voor Afrika, was de gedachte.

Toch was het de Republikein Bush die écht belangstelling voor Afrika toonde en de hulp aan het continent op z’n minst verdubbelde. De conservatieve christelijke achterban van de president, vaak dezelfde groepen die in de jaren tachtig nog warme banden met het apartheidsregime in Zuid-Afrika onderhielden en net als Dick Cheney tegen de vrijlating van de communist Nelson Mandela waren, had zich op de Afrikaanse medemens gestort. Dat leidde onder andere tot vrij intensieve betrokkenheid bij het vredesproces tussen (islamitisch) Noord- en (overwegend christelijk) Zuid-Soedan en tot vruchteloze maar dappere pogingen om iets aan de crisis in Darfur te doen.

Het meeste nieuwe geld ging naar de President’s Emergency Plan for Aids Relief, kortweg pepfar. Dit is ook meteen het meest omstreden deel van de hulp. Want op expliciet verzoek van de christelijke belangengroepen en een aantal conservatieve Congresleden is bij de preventie van aids de verspreiding van condooms teruggebracht en de nadruk meer komen te liggen op onthouding (‘abstinence’) voor het huwelijk, terwijl niet bewezen is dat louter gedragsverandering tot minder besmettingen leidt. Oeganda heeft met eigen beleid laten zien dat een combinatie van gedragsverandering en condoomverspreiding tot een daling van het aantal hiv-gevallen kan leiden. Maar sinds het land de Amerikaanse aanpak overgenomen heeft, nemen de besmettingen weer toe.

Ondertussen heeft de Amerikaanse regering zich bij Afrikanen evengoed weinig populair gemaakt met een plan voor nieuwe permanente militaire aanwezigheid op het continent. Dit ‘Africom’ moet volgens het Witte Huis niet alleen de Amerikaanse ‘veiligheidsoperaties in de regio versterken’ (lees: oorlog tegen terreur en de strijd tegen al-Qaeda-cellen), maar zal ook een rol spelen bij het verbeteren van uiteenlopende nobele doelen als onderwijs, zorg en democratie. Op de trouwe Amerikaanse bondgenoot Ethiopië na – het land waar het hoofdcommando van Africom waarschijnlijk gevestigd wordt – zijn de Afrikaanse regeringen verenigd in hun afkeer van Bush’ voornemen. Dat is op z’n minst een uniek resultaat van Bush: Afrikaanse leiders zijn het hoogst zelden met elkaar eens.

PETER VERMAAS

Advertenties

About this entry