De kandidaat van Mars (De Groene Amsterdammer, 1 augustus 2008)

DE KANSEN VAN MCCAIN

Er is nóg een kandidaat die denkt dat hij op 4 november president van de Verenigde Staten kan worden. Hij heet John McCain. En zijn kansen zijn groter dan Obama-gek Europa denkt.

DOOR PETER VERMAAS

NEW YORK – Het was de week van Barack Obama. De Messias uit Illinois oefende in het Midden-Oosten en in het oude Europa alvast voor het presidentschap. Hij sprak met politieke leiders van Bagdad tot Londen en van Tel Aviv tot Parijs. In Berlijn hoorden tweehonderdduizend mensen hoe de Democratische presidentskandidaat muren wil slechten en bruggen wil bouwen om het imago van Amerika in de rest van de wereld bij te stellen. De kranten, ook in Nederland, berichtten over zijn kennismaking met de wereld alsof het een gelopen race was. Waar was Obama’s Republikeinse tegenstrever John McCain eigenlijk? De arme man, schamperden commentatoren, hield persconferenties voor anderhalve man en een paardenkop, zeurde wat over Obama’s premature zegetocht en merkte op dat niemand de weg in Bagdad zo goed kent als hijzelf.

Europa houdt van Obama. Maar Europeanen hebben bij de verkiezingen van 4 november geen stemrecht. En het grootste deel van de Amerikanen wantrouwt in de eerste plaats alles waar Europa van houdt. Europeanen komen van Venus, vatte de conservatieve denker Robert Kagan de trans-Atlantische kloof in 2003 bondig samen, en Amerikanen komen van Mars. Kagan had het in zijn pamflet Of Paradise and Power weliswaar vooral over de agressieve internationale mannenpolitiek van de laatst overgebleven supermacht tegenover de eindeloos delibererende Navo-partners in het oude Europa, maar ook bij verkiezingen maakt het electoraat van Mars vaak keuzes die op Venus niet zelden onbegrepen blijven. Wie het in West-Europa goed doet, heeft thuis in de Verenigde Staten het een en ander uit te leggen.

Terwijl Obama in Europa is ingehaald als de nieuwe president ligt de race in Amerika nog wijd open. Van de jonge beweging rondom Obama mag dan meer veerkracht en energie uitgaan, vooralsnog heeft de junior senator uit Illinois in de opinieonderzoeken niet de voorsprong die nodig is om in november president te kunnen worden. Obama leidt weliswaar in veel nationale peilingen, maar verkiezingen worden in Amerika per staat gewonnen. Iedereen weet dat Al Gore in 2000 de meeste stemmen had, maar van George Bush verloor omdat hij niet genoeg kiesmannen had nadat Florida hem nipt uit handen was geglipt. Los daarvan geven de nationale peilingen waarin Obama leidt ook al geen eerlijke indicatie, omdat staten met veel inwoners als Californië en New York in de steekproef meestal onevenredig ruim vertegenwoordigd zijn en beide staten bij presidentsverkiezingen al jarenlang Democratisch stemmen.

Wie wil zien hoe Obama en McCain er écht voor staan, moet te raden gaan bij de peilingen voor de zogenaamde battleground states, de staten waar het verschil tussen de aanhang van Democraten en Republikeinen zo klein is dat daar pas in november beslist gaat worden. Op dit moment lijken in ieder geval de staten Virginia, Michigan, Missouri, Colorado, Florida en in mindere mate Ohio bepalend te gaan worden. In Missouri staat McCain op voorsprong en in het belangrijke Florida gaan de twee compleet gelijk op. Alleen in Michigan leidt Obama met een marge die groter is dan de foutmarge die bij dit soort peilingen in acht genomen moet worden. Maar als McCain zou besluiten de in Michigan opgegroeide en daar nog altijd populaire Mitt Romney als running mate te kiezen, dan is Obama ook die voorsprong snel kwijt.

Nuchter bekeken heeft Obama nog een lange weg te gaan. In de eerste plaats omdat Republikeinen domweg vaker dan Democraten bij presidentsverkiezingen de meerderheid behalen. In de afgelopen veertig jaar werd het Witte Huis slechts twee keer door een Democraat bewoond: in de jaren zeventig vier jaar door Jimmy Carter en tussen 1993 en 2001 door Bill Clinton. Beide Democratische presidenten kwamen uit het zuiden, beiden waren lid van de Southern Baptist Convention, het grootste protestantse kerkgenootschap van het land, en beide kandidaten hadden bij hun aantreden een volkse en overwegend conservatieve uitstraling.

De demografie zit Obama niet mee: hij is senator namens de noordelijke staat Illinois en groeide op in Hawaï en het wel heel erg exotische Indonesië, hij was tot voor kort lid van de progressieve United Church of Christ (maar een derde van de Amerikanen denkt nog steeds dat hij moslim is) en is voor veel kiezers buiten Democratische epicentra een elitaire liberal die de taal van Harvard spreekt en op zijn hamburger liever een dun laagje Dijon-mosterd smeert dan een halve fles ketchup leegspuit. Die kwalificaties en voorkeuren doen het goed in de Democratische primaries, zoals Hillary Clinton terecht opmerkte, maar kunnen fnuikend zijn in de eindronde tegenover een Republikein als McCain, die er goed in slaagt kiezers zonder partijregistratie (de beslissende independents) aan zich te binden, in every inch een Amerikaan is en zijn hamburgers gewoon met ketchup eet. Obama’s bescheiden voorsprong in de peilingen van de laatste maanden is vergelijkbaar met die van de Democraat John Kerry in 2004. In juli 2004 stond Kerry ruim voor op George Bush, maar in november gaf de meerderheid van de Amerikanen de impopulaire oorlogspresident het voordeel van de twijfel. Hij mocht, in Nederlands politiek jargon, zijn karwei afmaken.

John McCain, zeggen Democraten in televisiespotjes en campagnetoespraken, staat dit jaar kandidaat voor ‘de derde termijn van Bush’. Kies McCain en je krijgt het beleid van Bush er gratis bij. McCain stemde in 2003 tenslotte vóór de oorlog in Irak en nadat hij eerder tégen Bush’ belastingvoordeeltjes voor de rijken was, veranderde hij aan de vooravond van zijn presidentiële campagne van gedachten.

Maar die boodschap van de Democraten is niet erg geloofwaardig. McCain is, zoals reclamemakers dat noemen, een ‘stand alone brand’: door zijn biografie en staat van dienst is hij een product waar de concurrentie moeilijk andere labels op kan plakken. De kiezer kent de geschiedenis van de onderscheiden oorlogsveteraan en voormalig krijgsgevangene McCain al jaren. En weet dat hij van een ander slag is dan George W. Bush en zelfs vaker met Bush overhoop heeft gelegen dan dat hij hem gesteund heeft.

Hij verschilde de laatste jaren van mening met Bush over de noodzaak iets aan de opwarming van de aarde te doen, hij keerde zich als een van de zeven Republikeinse senatoren tegen pogingen om het homohuwelijk via de grondwet te verbieden, hij stemde voor federaal geld voor stamcelonderzoek en duwde Bush een wet door de strot waarin de overheid werd opgedragen gedetineerden (ook die in Guantánamo Bay) ‘humaan’ te behandelen. Ook met zijn grootste succes als wetgever, de door hem met de Democraat Russ Feingold geïnitieerde maatregel om de financiering van verkiezingscampagnes transparanter te maken, heeft McCain zich bij Bush en in traditionele Republikeinse kringen niet populair gemaakt.

De verwijdering tussen John McCain en de Republikeinen begon na de voorverkiezingen van 2000, toen McCain een eerste gooi naar het presidentschap deed en Bush tegenover zich trof. Bush had de steun van het partijestablishment en na winst van McCain in New Hampshire trokken Republikeinse activisten alle registers open om hem aan de vooravond van de navolgende primary in South Carolina zwart te maken. Er werden geruchten in omloop gebracht die McCain de rest van de campagne zouden achtervolgen: zijn geadopteerde dochter uit Bangladesh zou een kind zijn dat hij bij een zwarte prostituee verwekt had, de senator zou door de ontberingen in Vietnam niet meer helemaal bij zijn verstand zijn en echtgenote Cindy was volgens de smeercampagnes drugsverslaafd. Tegen zo veel negatieve publiciteit was McCain niet opgewassen en Bush won de bepalende voorverkiezing en uiteindelijk de kandidatuur.

De senator vond, volgens zijn vertrouwelingen, dat hij voor schut was gezet en in de steek was gelaten door zijn eigen partij en voelde geen enkele loyaliteit richting Bush cum suis. Juist daardoor kon hij in de Senaat zijn eigen gang gaan. Terwijl Barack Obama zich erop voorstaat dat hij Republikeinen en Democraten wil samenbrengen en een eind wil maken aan de polarisatie die Amerika nu al zo lang verlamt, kan McCain door deze periode bogen op daadwerkelijk succesvolle samenwerkingsprojecten met Democratische collega’s. Op grond van zijn stemgedrag in de Senaat tijdens Bush’ eerste termijn noemde het progressieve tijdschrift The New Republic McCain eerder dit jaar zelfs ‘de meest effectieve verdediger van de Democratische agenda in Washington’.

Dat was ook bij de Democraten niet onopgemerkt gebleven: John Kerry nodigde McCain in 2004 uit om in de strijd om het presidentschap tegen Bush en Cheney zijn running mate te worden. Na een aantal gesprekken haakte McCain af en koos Kerry voor McCains trouwe vriend Joe Lieberman. McCain mag in de tweede termijn van Bush weliswaar vaker met de partij hebben meegestemd (hij steunde bijvoorbeeld de benoeming van de conservatieve juristen Roberts en Alito voor het Supreme Court), het blijft voor Democraten anno 2008 moeilijk McCain weg te zetten als ‘Bush III’ terwijl ze zelf vier jaar eerder alles in het werk hebben gesteld om hem in de eigen gelederen op te nemen. Tijdens de voorverkiezingen van 2008 was John McCain, ondanks een aantal cosmetische aanpassingen om meer in de smaak te vallen bij conservatieve kiezers, de minst Republikeinse van de Republikeinse kandidaten en daarmee de beste kandidaat die zijn partij zich met de dramatische populariteitscijfers van de zittende president kon wensen.

Die dramatische beoordeling van Bush heeft natuurlijk vooral te maken met de oorlog in Irak. Barack Obama sprak zich daar in 2003 publiekelijk tegen uit en McCain stemde in de Senaat vóór Bush’ plannen. Veel Democraten nemen voetstoots aan dat wat Irak betreft hun kandidaat het morele gelijk aan zijn zijde heeft en dat hem dat winst in de verkiezingen zal opleveren. Maar ook dat is maar de vraag.

Als het op oorlog aankomt, valt met McCain niet te spotten. Hij heeft zich als een van de weinige Republikeinen lang kritisch uitgelaten over de wijze waarop de oorlog in Irak gevoerd werd. McCain steunde de conclusies van de onpartijdige Iraq Study Group, die eind 2006 adviseerde om meer Amerikaanse troepen naar vooral Bagdad te sturen om het geweld terug te brengen. Die ‘surge’, waaraan McCain zijn lot verbond, was destijds mateloos impopulair en de senator leek zijn kansen op de Republikeinse presidentskandidatuur te vergooien. ‘Ik verlies liever een verkiezing dan een oorlog’, pochte hij niet zonder risico. Inmiddels lijkt de surge te werken en wordt McCain geprezen om het leiderschap dat hij getoond heeft.

Uit een recent opinieonderzoek van NBC News blijkt dat een meerderheid van 53 procent van de Amerikanen denkt dat McCain een betere commander-in-chief zou zijn en voor een even groot percentage mensen heeft McCain meer dan Obama de ‘kennis en ervaring’ die nodig zijn om het presidentschap aan te kunnen. Sowieso dicht de kiezer Republikeinen over het algemeen een grotere deskundigheid over vraagstukken van oorlog en vrede toe. Voor liefst 55 procent van de ondervraagden is Obama een ‘riskantere keuze’.

Vooral witte Amerikaanse mannen, sinds jaar en dag de meest solide aanhang van de Republikeinen, zijn gevoelig voor de boodschap van McCain dat Amerika in tijden van internationale terreur niet met de witte vlag moet zwaaien. Terwijl de Democraten zich willen vastleggen op een vaste datum waarop de troepen uit Irak worden teruggetrokken en Obama daarover vorige week in Irak al probeerde te onderhandelen, wil McCain de oorlog ‘winnen’. Gezien zijn hoge leeftijd (71) hoeft niemand bang te zijn dat hij een tweede termijn zal ambiëren. Hij wil slechts zijn ‘karwei afmaken’, heeft hij gezegd, zoals het een supermacht betaamt. Onderhandelen, dat is meer iets voor Venus. En John McCain is de kandidaat van Mars. © PETER VERMAAS / De Groene Amsterdammer

Advertisements

About this entry