Obama’s Verenigde Staten (De Groene Amsterdammer, 8 november 2008)

Na een enerverende campagne wordt Barack Obama de nieuwe Amerikaanse president. Democraten haalden ook een meerderheid in het Congres. Is dat goed nieuws? Zonder geld en met een ideologisch diffuse partij wordt het moeilijk regeren.

DOOR PETER VERMAAS

NEW YORK – Groot was de opluchting onder Democraten toen na duizenden opiniepeilingen en analyses dinsdagavond eindelijk de eerste echte uitslagen binnenkwamen en niet minder gunstig bleken. Het gevreesde ‘Bradley-effect’, dat profeteerde dat veel witte kiezers ondanks de politiek correcte peilingen toch niet op een zwarte politicus wilden stemmen, bleek op Barack Obama niet van toepassing. Een overweldigende meerderheid van gekleurde kiezers stemde op de Democratische kandidaat, maar Obama wordt op 20 januari geïnaugureerd als president dankzij de stem van miljoenen witte Amerikanen, die hem beloonden voor een standvastige campagne, een verzoenende boodschap en duidelijke voorstellen om de Verenigde Staten na acht jaar George W. Bush uit het moeras te trekken. Historisch. Maar clichés schieten te kort. Meer witte Amerikanen stemden op Obama dan vier jaar geleden op John Kerry.

Tot op het laatste moment was door de grondtroepen van de meest geoliede campagnemachine in de recente geschiedenis aan de zege gewerkt. Dinsdagochtend nog belden duizenden vrijwilligers van het politieke actiecomité MoveOn.org en van de Obama-campagne in studentenkamers driehoog achter in Democratische steden als New York City hun belminuten op aan zwevende kiezers in staten als Pennsylvania en Virginia. Het hoofdkwartier van Obama verschafte de bellijsten, de vrijwilligers probeerden op de valreep een paar laatste kiezers over de streep te trekken. En zij die niet aan de telefoon zaten, waren ’s ochtends vroeg per trein naar de staten afgereisd die er echt toe deden om huis aan huis nog wat apathische kiezers naar de stembus te sleuren. Het campagnevoeren op microniveau, dat Karl Rove in 2000 en 2004 voor Bush introduceerde, werd geperfectioneerd door Obama’s strategen David Plouffe en David Axelrod. Wist Rove vooral veel nieuwe christelijke kiezers te enthousiasmeren, Plouffe registreerde jonge kiesgerechtigden en grote groepen politiek lang vergeten Hispanics in staten als Nevada, New Mexico en Colorado. Die staten gingen dinsdag naar Obama. Hij wordt ook de president van dit nieuwe Amerika.

Maar de Democratische campagne nam geen genoegen met een krappe overwinning in enkele dorre uithoeken met schuivende demografie. Obama’s pragmatisme als ideologie, de vakkundig gepolijste boodschap van ‘verandering’ en ‘verzoening’ tussen de cultureel botsende blauwe (Democratische) en rode (Republikeinse) staten vergde een ruim mandaat. Ruimer bijvoorbeeld dan dat van George Bush in 2000, die destijds de verkiezingen ook inging als een verzoener, iemand die Amerika weer ‘bijeen wilde brengen’ na het in de ogen van veel Amerikanen ontspoorde presidentschap van Bill Clinton. Maar van Bush’ variant op verzoening, zijn belofte van ‘compassionate conservatism’, kwam niets terecht. Door de krappe winst tegenover Al Gore in 2000 zat hij in de tang bij het conservatieve Republikeinse smaldeel in het Congres van voormalig worstelkampioen Dennis Hastert, de speaker, en van meerderheidsleider Tom DeLay. Hij kon niet anders dan hun conservatieve agenda doorvoeren.

Obama won groot: Ohio en Florida gingen naar de Democratische kandidaat. Kerry verloor beide staten in 2004. Staten die decennialang voor Republikeinen hebben gestemd, gingen nu naar de Democraten. Andere Democraten liftten mee op Obama’s succes: de meerderheid in het Congres van 2006 werd nog wat groter.

Eerder dit jaar leek alleen Hillary Clinton Obama nog te kunnen stoppen. Afgeschreven na de eerste Democratische voorverkiezing in Iowa, vocht de voormalige first lady zich terug in New Hampshire en won ze in voor Democraten cruciale staten als New York, Californië en Pennsylvania haar portie van de gedelegeerden. Clinton gaf niet op. Maar terwijl zes maanden terug op televisie de deskundigen over elkaar heen buitelden om uit te leggen hoe schadelijk de lange race voor de Democratische Partij wel niet moest zijn, lijkt Obama in de afgelopen weken juist geprofiteerd te hebben van de in bijna alle vijftig staten fel bevochten kandidatuur. Anders dan John McCain had Obama door de lange strijd met Clinton in de meest verlaten uithoeken veldkantoren, vrijwilligers en geld om de vinger aan de pols te houden. De winst van Obama dinsdag in bijvoorbeeld Indiana, een Republikeinse staat bij uitstek, is daaraan te danken. De lange Democratische race heeft Obama bovendien meer landelijke bekendheid gegeven en, zo erkenden Republikeinse strategen afgelopen weekend, leidde ertoe dat Obama’s boodschap steeds scherper en duidelijker geformuleerd werd.

Toch heeft het tamelijk lang geduurd voordat Obama een serieuze voorsprong in de opiniepeilingen nam. Nog maar twee maanden geleden lag John McCain in een aantal nationale onderzoeken licht voor. Dat was in de eerste plaats een verdienste van McCain, die in een jaar dat voorbestemd leek voor de Democraten de minst ongeschikte Republikeinse kandidaat bleek. Iedere andere Republikein zou het waarschijnlijk nog slechter hebben gedaan. Een presidentschap van McCain was geen derde termijn voor George W. Bush geweest, zoals de Obama-campagne wilde doen geloven. Iedere Amerikaan weet dat McCain in de laatste jaren een van de weinige senatoren was die net zo gemakkelijk zaken deed met Republikeinen als met Democraten en op dat gebied eigenlijk meer ervaring had dan Obama zelf.

Dat gematigde imago maakte McCains keuze voor Sarah Palin als running mate des te onbegrijpelijker. Met de rabiaat conservatieve en polariserende gouverneur van Alaska aan zijn zijde, verloor hij een groot deel van de independents, kiezers die niet als Republikein of Democraat geregistreerd staan en meestal voor de kandidaat in het politieke centrum kiezen. Dat hij dankzij Palin weer een deel van de eerder van zich vervreemde evangelische kiezers terugwon, hielp nauwelijks. Meer dan in 2000 en 2004 waren vooral de gematigde evangelicals op drift. Hoe hard Palin het ook probeerde, thema’s als abortus en homorechten werden dit jaar nauwelijks beslissend. De economische crisis deed de rest. Democraten doen het sowieso goed bij economische rampspoed, en met zijn vaak herhaalde opmerking dat ‘de fundamenten van de economie’ in de VS ‘sterk’ zijn, torpedeerde McCain zijn eigen geloofwaardigheid.

Amerika is naar het politieke centrum opgeschoven. Maar hoe nu verder? Hoe kan Obama zijn tot in zijn overwinningstoespraak beloofde pragmatisme waarmaken? Hij kan natuurlijk een paar Republikeinen in de regering benoemen – minister van Defensie Robert Gates mag waarschijnlijk blijven – maar daarmee heeft hij de in de campagnes beschreven Amerikaanse heilstaat nog niet dichterbij gebracht. Na zo’n wereldwijd verkiezingsspektakel kan Obama’s presidentschap eigenlijk alleen maar tegenvallen. Hij erft twee oorlogen, een staatsschuld van biljoenen dollars en een economie in recessie. Veel geld om leuke dingen voor de mensen te doen is er niet en terwijl gezondheidszorg en de 47 miljoen onverzekerden maandenlang centrale thema’s waren, zal Obama als president eerst de economie moeten opkrikken.

Het is de vraag hoe lang Democraten geduld hebben, zegt Michael Lind van denktank The New America Foundation. Michael Lind stemde Obama, maar heeft zijn roots in het nette (neo-)conservatisme uit de jaren tachtig. ‘Het fixen van de economie’, zegt hij, ‘duurt minstens vier jaar. Obama moet zo snel mogelijk iedereen ervan overtuigen dat geen van de partijen magische welvaart uit de hoge hoed kan toveren. Hij heeft zijn verkiezing te danken aan de economie, mensen wilden iemand die koel bleef in tijden van crisis, maar nu moet hij leveren.’

Veel is afhankelijk van Obama’s verhouding met het Congres. Niet alleen in het Huis van Afgevaardigden, maar ook in de Senaat zitten na de landslide van dinsdag de Democraten nu aan de knoppen. Maar dat betekent allerminst dat de partij een eenheid is. Om zetels binnen te slepen in districten die jarenlang naar de Republikeinen zijn gegaan, is doelbewust een aantal conservatievere kandidaten genomineerd, Democraten die voor Republikeinen op vooral de ethische kwesties acceptabel zijn en bij economische onderwerpen geen gevaar vormen. In de Senaat is dat bijvoorbeeld senator Bob Casey uit Pennsylvania, een fervent tegenstander van abortus, maar tegelijk een van Obama’s trouwste supporters (en basketbalpartner). En in het Huis van Afgevaardigden hebben de conservatieve Democraten zich verenigd in de zogenaamde Blue Dog Coalition, een allegaartje van wapenliefhebbers, morele scherpslijpers en belastinghaters. De blue dogs komen regelmatig in aanvaring met de linksdraaiende leiding van de Democratische factie in het Huis, in het bijzonder de ultraliberale speaker Nancy Pelosi.

Een meerderheid in het Congres, schreef The New York Times vorige week, is als de winst van een groot bedrijf: hij bestaat op papier, maar dat betekent niet dat hij er is als je hem nodig hebt. Dat gold voor Bush in 2000 (die naar rechts werd getrokken) en eerder voor Bill Clinton (die naar links moest en zijn zorgstelsel niet door het Democratische Congres kreeg) en Jimmy Carter (die überhaupt niets voor elkaar kreeg). ‘De ouderwetse linkse Democraten, mensen als Pelosi of meerderheidsleider Harry Reid in de Senaat, worden Obama’s grootste probleem de komende tijd’, zegt politicoloog Marc Hetherington van Vanderbilt University. Niet alleen om de boodschap van verzoening met de Republikeinen gestalte te kunnen blijven geven, ook om beleid te maken: ‘Democraten hebben nu acht jaar in de wildernis gezeten en willen de Republikeinen best een beetje straffen voor de laatste jaren. Dat past natuurlijk niet bij Obama’s boodschap van verzoening en samenwerking. Het zal heel moeilijk worden om de mensen in zijn eigen partij tevreden te stellen.’

Obama zelf wil bovenal niet overkomen als een uitgesproken progressieve politicus – al heeft hij in het verleden in de Senaat vrij liberaal gestemd. Net als Clinton en Carter opereert hij succesvol in het politieke midden. En net als Clinton en Carter wist hij een economisch verhaal te combineren met een christelijke motivatie, die door veel kiezers goed begrepen wordt. Obama is wat dat betreft ideologisch bijna een christen-democraat Europese stijl.

‘Het is niet zo’, benadrukt Michael Lind ‘dat Amerika bij deze verkiezingen opeens van ultrarechts naar ultralinks is opgeschoven. Je ziet alleen in het Congres dat veel centrumfiguren nu niet meer bij de Republikeinen zitten maar bij de Democraten. Als je een liberal uit San Francisco of Boston bent, dan is dat iets om je zorgen om te maken, want je hoort weliswaar bij een supermeerderheid maar je hebt invloed moeten inleveren aan populisten en centrumfiguren. De laatste acht jaar was er maar één doel: Bush verslaan. Dan is het niet moeilijk alle koppen dezelfde kant uit te krijgen. Nu ze gewonnen hebben, kan er ruzie gemaakt worden tussen de verschillende vleugels van de partij.’

Maar of Obama’s poging tot verzoening werkt, hangt natuurlijk ook van de respons van de Republikeinen af. Of hij erin slaagt, zoals hij dinsdagavond uitsprak, om de president van alle Amerikanen te worden. ‘Voorlopig is Obama in rode staten in ieder geval populairder dan Bush in blauwe staten’, lacht politicoloog David Epstein van Columbia University. ‘Maar voor je het weet is hij voor conservatieven een Democratische Bush. Dat is nu eenmaal politiek en ook een president Obama gaat daar niet meteen iets aan veranderen.’ © PETER VERMAAS / De Groene Amsterdammer

Advertisements

About this entry