God Gap (De Groene Amsterdammer, 14 november 2008)

WAT DEED DE CHRISTELIJKE KIEZER?

NEW YORK – Oppermachtig was christelijk rechts bij de Amerikaanse presidentsverkiezingen in 2000 en 2004. Dankzij de mobilisatie van conservatieve kerken en populaire televisiedominees won ‘Jezus’ kandidaat’ George W. Bush twee keer het presidentschap en werd de G.O.P., de Republikeinse Grand Old Party, God’s Own Party. Inmiddels publiceren liberale media de eerste licht triomfalistische necrologieën voor de politieke tak van de evangelische beweging die onder de in 2007 overleden Jerry Falwell zo’n onmiskenbaar stempel op verkiezingen heeft gedrukt.

Op 4 november 2008 raakte de gelovige kiezer op drift. De meerderheid van de witte evangelicals stemde weliswaar nog steeds veilig op de Republikein McCain en zijn running mate uit de Pinksterkerk in Wassila, Alaska. Maar bij veel andere christelijke kiezers, zwarte gelovigen en leden van meer gematigde kerken in het bijzonder sloegen de intensieve campagnes van Obama’s ‘director of religious affairs’ Joshua DuBois blijkbaar aan. DuBois had overal in het land op bijeenkomsten geprobeerd duidelijk te maken dat de Democratische Partij nooit een partij voor goddelozen is geweest, zoals de Republikeinen de laatste jaren beweerden, en dat een politieke partij geen one issue-beweging is. Wie het niet eens is met het Democratische standpunt over abortus, zei DuBois keer op keer, hoeft niet direct over te lopen naar de Republikeinen. ‘Er zijn meer christelijke thema’s: armoede, klimaatverandering, goede gezondheidszorg.’

Net als die twee eerdere Democratische presidenten in de laatste veertig jaar, Bill Clinton en Jimmy Carter, heeft Obama zijn winst te danken aan grote groepen christelijke kiezers die hem het voordeel van de twijfel gaven. De in 2004 zo vaak bediscussieerde ‘God gap’, de neiging van frequentere kerkgangers om eerder Republikeins te stemmen dan Democratisch, is veel kleiner geworden: Obama won ten opzichte van Kerry acht procentpunt onder mensen die vaker dan eens per week naar de kerk gaan. En net als Clinton en Carter bleek Obama in de campagnes geen moeite te hebben om over zijn geloof te praten. ‘John McCain is van een andere generatie – voor hem is de kerk in het gunstigste geval een privé-kwestie’, analyseerde commentator David Brody op CBN, de Christian Broadcasting Network. ‘Jongere evangelicals willen graag de hele dag over hun geloof horen.’ Vooral in belangrijke staten als Colorado, Indiana en Florida (die alledrie van de Republikeinen naar de Democraten gingen) hebben jongere evangelische kiezers in grotere getalen op de Democraten gestemd.

Maar uiteindelijk zijn het niet de protestanten maar de katholieken die voor Obama het verschil hebben gemaakt. Sinds de verkiezing van de katholiek John F. Kennedy hebben katholieke kiezers het in de Verenigde Staten altijd bij het rechte eind gehad: de kandidaat die de meerderheid van de roomsen binnenhaalde, werd president. Inmiddels mag door de instroom van Latino’s de demografie van de katholieke kiezer wat veranderd zijn, staten als Pennsylvania, New Mexico en Nevada gingen naar Obama dankzij het leger vrijwilligers dat Obama op de parochies had afgestuurd om zieltjes te winnen. Nationaal stemde 54 procent van alle katholieken (27 procent van het electoraat) op Obama. De voormalige misdienaar John Kerry kwam in 2004 niet verder dan 47 procent. Een ‘historische overwinning’, aldus paus Benedictus XVI in een ultrasnelle reactie daags na de verkiezingen.

PETER VERMAAS

Advertenties

About this entry