OLIE EN AUTO’S (De Groene Amsterdammer, 5 december 2008)

DE AMERIKAANSE BATTERIJAUTO

DETROIT –  In het Henry Ford Museum staan niet alleen Fords. Achter in een van de grote hallen nabij de fameuze fabrieken waarin begin vorige eeuw de T-Ford in massaproductie ging, wordt een klein onooglijk rood wagentje tentoongesteld van concurrent en aartsvijand General Motors. Op de motorkap, precies tussen de koplampen, is een groot uitgevallen stekker ingeplugd. Een dikke kabel loopt naar een futuristisch ogende zuil, de ‘charger’. Het is de GM EV1, de revolutionaire elektrische auto die de grootste autoproducent wereldwijd in 1996 presenteerde en die in 1999 door GM zelf weer van de weg werd gehaald.

Over de elektrische auto van GM doen alle mogelijke theorieën de ronde. Kenners van Detroit zeggen dat het koekblik in een tijd waarin de vraag naar steeds forsere terreinwagens en SUV’s toenam domweg een financiële miscalculatie was. Maar volgens de makers

van de in 2006 verschenen documentaire Who Killed the Electric Car zou de in Californië redelijk populaire wagen moedwillig de nek zijn omgedraaid door een samenzwering van Texaanse olieboeren en ‘Detroit’.

Terwijl ‘de grote drie’ (GM, Ford en Chrysler) zich na het experiment met de elektrische auto verder toelegden op steeds groter groeiende benzineslurpers, breidden Toyota, Honda en Hyundai in de jaren negentig hun marktpositie uit met kleinere, zuinige en zelfs hybride auto’s. De buitenlandse producenten verkopen in de Verenigde Staten inmiddels meer auto’s dan de niet-competitieve Amerikaanse industrie, en ceo Rick Wagoner van General Motors noemt het afschieten van de EV1, het batterijwagentje uit 1996, inmiddels het slechtste besluit uit zijn carrière.

Met opnieuw stijgende benzineprijzen presenteerde GM daarom in januari 2007 op de autobeurs van Detroit met veel aplomb het nieuwe groene paradepaardje van het bedrijf, de Chevrolet Volt. Deze auto zou ongeveer 65 kilometer op elektriciteit kunnen rijden, waarna een hybride verbrandingsmotor het werk overneemt. Omdat de meeste Amerikanen op minder dan dertig kilometer van hun werk wonen, zou de Volt-rijder haast nooit meer hoeven tanken. Pas in 2010 zou het ding leverbaar zijn, maar op het jaarlijkse feestje van de auto-industrie stal GM de show. Dat de technologie van de auto nog niet helemaal rond was, leek niemand te deren. Vorige maand nog werd hij door Time uitgeroepen tot een van de beste uitvindingen van het jaar. Van welk jaar, dat liet het weekblad in het midden.

Jarenlang was de macht van de grote drie van Detroit onbetwist, maar nu vechten GM en Chrysler (en in mindere mate Ford) in Washington DC voor hun voortbestaan. Komend president Obama wil dat de bedrijven pas geld van de staat krijgen als ze beloven serieus werk te maken van schone technieken. Wat dat betreft heeft hij de benzineprijs niet mee. Die is door de algehele economische malaise weer terug op het niveau van 2001, toen Detroit zich volledig toelegde op de gas guzzlers. Amerikanen betalen aan de pomp momenteel gemiddeld 48 dollarcent (39 eurocent) per liter benzine. Dat was in 2007, toen de Volt gepresenteerd werd, bijna twee keer zoveel. Gaat de prijs nog verder omlaag of valt GM om, dan kan het nieuwe ecologische wonder van GM net als de EV1 rechtstreeks naar het museum.

PETER VERMAAS

Advertenties

About this entry